Beroepen van toen

ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ




A

Aanspreker
Een persoon die de familie en vrienden van de overledene ter begrafenis uitnodigt, diens dood aan de huizen aanzegt en verder met de bediening van de begrafenis belast is. Hij wordt ook nodiger, boodschapper, doodbidder, lijkbidder, groefbidder of leedaanzegger genoemd.

Aardedraaier
Aardedraaiers waren onderverdeeld in groot-, rond- en platdraaiers. Zij wierpen een kluit klei op de draaischijf, centreerden deze op hun schijf en draaiden zonder mal of ander hulpwerktuig de gewenste voorwerpen in het gewenste model. De draaischijf, die onder de werkbank een zwaar vliegwiel had, werd met de voet aangedreven. Grootdraaiers maakten de holle voorwerpen zoals vazen. De voorwerpen die gevormd en gedroogd waren gingen naar de gevers.

Aardetrapper
Op een stenen vloer maakten zij een cirkelvormige ca. 1 duim hoge cirkelvormige bedding, vaak van verschillende kleisoorten die gemengd werden. Met blote voeten werd de klei getreden van buiten naar binnen, waarbij zij de ongerechtigheden (mogelijke klonters of vreemde delen) voelden en konden verwijderen. Daarna werd de klei in repen gesneden en weer samen gekneed, zodat ook alle lucht verdween en er geen luchtbubbels in het aardewerk konden ontstaan. Als de klei gereed was kwamen de aardedraaiers aan bod.

Aardevormer
Zij maakten de meer ingewikkelde ruimtelijke voorwerpen, welke de aardedraaiers niet konden maken. Ook deze voorwerpen gingen naar de gevers als ze gevormd en gedroogd waren.

Aardewasser
De aardewasser vermengt de kleisoorten met water tot een verdunde massa, waarna dit mengsel door een fijne koperen zeef wordt gezuiverd en opgevangen in bakken. Dan laat men de klei drogen en opstijven. Als de aarde de benodigde mate van droogte verkregen had, sneed de werkman de opgestijfde aarde in vierkante stukken om tenslotte de gewassen aarde met schuiten naar de plateelbakkerijen te vervoeren. Daarna was het de beurt aan de aardetrappers.

Aardwerker
Aardwerk is het verwerken van aarde of grond. Een aardwerker is een arbeider, die grondwerk verricht (tegenwoordig grondwerker genoemd). Het was zwaar en slecht betaald handwerk.

Advocaat
Rechtsgeleerde. Voordat in het verleden iemand tot de balie werd toegelaten, werd hij eerst door de President of door een van de Raden van den Hove ondervraagd. Vervolgens moest de advocaat de eed afleggen. Die eed moest jaarlijks hernieuwd worden.

Afslager
Persoon die bij een openbare verkoping belast is met het regelen van de afslag. Het afslagerschap behoorde in het verleden tot die ambten, waarmee mannen van aanzien zich graag lieten bekleden.

Ankerslager
Ook ankersmid genoemd. Dit is dus iemand die scheepsankers maakte. Echter is het ook mogelijk dat het een smid was, die muurankers vervaardigde.

Apotheker
Een apotheek was van oudsher een werkplaats en winkel waar geneesmiddelen werden toebereid en verkocht.

Appelkoopster
Koopvrouw in appelen.

Antycksnijder
Deze sneed voornamelijk beelden en figuren in hout op zijn "antycks", d.w.z. naar het voorbeeld der Ouden die men trachtte te evenaren.

Aschkooper
Handelaar in potas. Potas (kalium-carbonaat) werd vroeger uitgeloogd uit houtas en weleer in potten verzonden. Potas werd onder andere gebruikt als onderdeel van de zeepfabricage. Vandaar dat askopers tevens zeepzieders waren.

Aschwerker
Bereider van potas (zie aschkooper).

Azijnmaker
Azijn is een kruid- en conserveringsmiddel, met als essentieel bestanddeel azijnzuur, gewonnen door de gisting uit alcoholische vloeistoffen of door verdunning van gezuiverd azijnzuur of azijnessence.

B

Baaiwerker
Baai is een dik en grof weefsel, een op molton gelijkend flanel.

Baertscheerder
Oftewel een barbier. Een beroep dat in het verleden meestal samenging met dat van chirurgijn (zie aldaar). Als herkenningsteken van hun beroep hadden de baardscheerders een ronde paal in de kleuren rood, wit en blauw aan de gevel staan. Van oudsher werd deze paal een vlaggestok genoemd, later bekend als barbierspaal.

Balansenmaker
Deze man blonk niet alleen uit in het maken van weegschalen, maar ook in het vervaardigen van gewichten. Een uiterst nauwkeurig werk, want die gewichten dienden aan een belangrijke eis te voldoen, namelijk het juiste gewicht aangeven. Die gewichten moesten daarom geijkt zijn.

Baleinwerker
Balein is een reep veerkrachtige stof, gemaakt uit de baarden van de walvis. Baleinen werden gebruikt voor het in model houden van kledingstukken, zoals bijvoorbeeld een keurslijf.

Baliusknecht
Knecht van de rechterlijke ambtenaar die in een bepaald gebied de rechtspraak doet. Baliu, elders ook schout of drost genoemd.

Ballenmaker
Ballen voor diverse doeleinden werden, al naar het doel van hun gebruik, gedraaid van hout of been, soms zelfs van ivoor.

Bandwever
Band is een geweven lint van linnen, katoen of fluweel. Een bandwever is iemand die werkzaam was in een bandweverij (zie verder lintwever).

Barbier
Zie onder baertscheerder en chirurgijn.

Bardemakere
Maker van baerden (soort handbijlen, o.a. hellebaarden). Een bardemakere was ook een barbier; hij die baarden bijknipt.

Bardesaenmaecker
Een bardisaen of pertisaen was een soort heelbaard die vooral in de strijd tegen de cavallerie werd gebruikt.

Beeldsnijder
Beeldsnijden is het beeldhouwen in hout of ivoor.

Behangselschilder
Geschilderd behang was in vroeger tijden een zeer populaire wanddecoratie. Door een toenemende vraag naar geschilderd behang, vooral door de rijke adel en de beter gesitueerde koopmansstand, werden er in de achttiende eeuw zelfs behangselateliers opgericht. Daar werkten schilders continue aan het schilderen van behang.

Bergenvaarder
Een schipper die op Bergen in Noorwegen voer om daar stokvis in te laden bestemd voor Amsterdam.

Besteedster
Een besteedster zou je kunnen zien als de eigenaresse van een achttiende eeuws uitzendbureau. Zij verhuurde namelijk dienstboden aan een ieder die dit kon betalen. Zij verhuurden ook minnemoers. Minnemoers waren vrouwen die het kind van een ander aan de borst hadden. Uiteraard tegen betaling.

Betielbakker
Betiel is een dialectische nevenvorm van plateel (zie plateelbakker).

Beuker
Dialectische naam voor kuiper, evenals bodeker (zie kuiper).

Beurtschipper
Beurtvaart is een vaste vaart op gezette dagen, onderhouden door beurtschippers. Zij onderhouden een geregelde dienst tussen twee of meer plaatsen.

Bezembinder
Ook wel besemmaaker genoemd. Boenders en bezems werden weleer gemaakt van oude dopheide. In maart en april werd deze dopheide met blote handen geplukt. De heide werd vervolgens gedroogd en daarna gebonden om er bezems van te maken. Een zeer zwaar werk, omdat de bundels stijf moesten worden aangehaald.

Bierdrager
Ook wel bierwerkers genoemd. Zij verzorgden zowel het lossen van de vaten bier uit de schuiten naar de kelders van de bierstekers (zie aldaar), als het vervoer van bestellingen door particulieren of tappers. Het was zwaar werk. Bier werd gevaat in tonnen van 155 liter, ook wel in halve of vierendeelstonnen. Het lossen gebeurde meestal met wippen of kranen die op de bierkaai stonden.

Bierkoper
Zie
biersteker

Biersleper
Zie bierdrager

Biersteker
Ook bierkoper, bierbeschooier en bierhandelaar genoemd. Eigenlijk was hij een soort tussenhandelaar, want het bier mocht niet rechtstreeks vanuit de brouwerij aan de consument worden verkocht.

Bilder
De bilder scherpte molenstenen.

Blaasbalgmaker
Een blaasbalg is een werktuig tot het samenpersen en uitblazen van lucht en werd onder meer gebruikt om een vuur beter te doen branden. De materialen die voor het maken van blaasbalgen gebruikt werden waren leer, hout en koper(beslag).

Blauwverver
In het hele productieproces van de lakennijverheid was het verven van het laken misschien wel de belangrijkste bewerking. Als het laken was geweven ging het naar de verver. Deze bereidde deze verf in grote ketels, die hij vulde met plantaardige verfstoffen, water en beitsmiddelen als aluin en urine. Voor de kleur rood werd meekrap gebruikt, voor de kleur blauw indigo. Het mengsel werd aan de kook gebracht en dan roerde de verver, meestal bijgestaan door enige knechten, met lange stokken de lakens urenlang door het dampende verfbad. Een nauwkeurig werk, want de schoonheid en de deugdelijkheid van de kleuren waren immers doorslaggevend voor de handelswaarde van het laken. Na het verfbad werden de lakens goed uitgespoeld en buiten aan palen te drogen gehangen.

Bleker
Eigenlijk een verzamelnaam voor hen die zich bezighielden met het bleken of reinigen van linnen, lijnwaden, garens en kleding. Zie verder onder: garenbleker, kleerbleker, linnenbleker en lijnwaadbleker.

Blidemakere
Maker van blijden (oorlogswerktuigen om stenen weg te slingeren).

Blikslager
Blik is geplet en vertind plaatijzer, uitgeslagen in dunne bladen. De man die ermee werkt wordt blikslager genoemd.Een beroep dat soms samenging met dat van koperslager. Van blik werden allerlei huishoudelijke voorwerpen gemaakt.

Blinkere
Mogelijk vergulder.

Blookemaker
Een blookemaker of blokmaker is iemand die katrollen en schijven voor takels maakt, veelal voor schepen.

Bode
Er bestonden van oudsher verschillende categorieŽn van boden. Iemand die brieven of pakjes naar bepaalde steden of gewesten vervoerde en een bode in dienst van het gerecht of van het gemeentebestuur. Een dienaar die vanwege het stadsbestuur bood was dus een aanzegger, maar ook de man die namens de burgemeester iemand kon dagvaarden. Hij was dus zoveel als deurwaarder.

Bodeker
Ook beuker. Streeknaam voor kuiper (zie aldaar).

Boekbinder
Een persoon wiens ambacht het was boeken te binden, in te naaien.

Boekvergulder
Werkte nauw samen met de boekbinder. Hij bracht in goud de versieringen aan op de boekomslag. Dit gebeurde door middel van goudfolie en een stempel dat verhit werd. Niet alleen de band werd fraai versierd, ook de snede. Dit zijn de drie door de binder, na het binden, recht afgesneden zijden van het boekblok. De snede werd dan verguld en soms met bepaalde rolstempels geprofileerd.

Boekverkoper
In het verleden was een boekverkoper tevens boekdrukker.

Boekweitmolenaar
Men sprak van 'boecweit', letterlijk beuktarwe, omdat de korrels overeenkomst vertoonden met beukenootjes. De uitgang 'weit' duidt op het witte meel dat van de korrels verkregen wordt. Dit gebeurde met de boekwietmolen tussen stenen.

Boendermaker
Een boender is een werktuig om mee te schrobben. Een lange boender voor vloeren en gangen, een platte boender voor houtwerk en een heiboender voor potten, vaten en gootstenen. Ze werden dikwijls vervaardigd van varkenshaar. De boendermaker, ook wel borstelmaker genoemd, vervaardigde zijn boenders behalve van varkenshaar ook wel van hei.

Boetere
In het algemeen reparateur. In de lakenindustrie degene die tijdens het verwerkingsproces gemaakte fouten en onvolkomenheden wegwerkt.

Bogartman
Exploitant van een boogaard of gaarde van vruchtbomen.

Boksenmaker
Ook wel geschreven als boxemaker. Mogelijk de vervaardiger van een soort beenbekleding, maar eigenlijk een broekenmaker.

Bombazijnwerker
Bombazijn is een bepaalde geweven stof, oorspronkelijk bestaande uit zijde of uit zijde gecombineerd met kemelshaar en katoen. Leter ook uit ketting van zijde en inslag van kamgaren of geheel uit kamgaren vervaardigd. De stof werd veelaal gebruikt voor voering en het maken van 'werkmans ondergoed'. Een bombazijnwerker is dus iemand die bovengenoemde stoffen weeft of verwerkt.

Bondenare
Mogelijk iemand die kleren en wapenuitrustingen aanbond.

Bontwerker
Ook wel pelser genoemd. Iemand wiens beroep het is pelswerk te bereiden of te bewerken. In vroeger tijden werden de bontwerkers ook wel 'grauwwerckers' genoemd.

Boodschapper
Noder ter begrafenis (zie aanspreker).

Boogmaker
Een boog is een wapentuig, bestaande uit een stok of reep van taai hout, riet, staal of andere veerkrachtige stof, gebogen door middel van een tussen beide uiteinden gespannen pees, streng of koord.

Boratwever
Borat is een bepaalde geweven stof, voorheen gewoonlijk bestaande uit zijde en wol. Het werd voor allerlei kledingstukken gebruikt, vooral voor kousen, maar ook voor mantels. De boratwever behoorde tot dezelfde gilde als de droogscheerders, greinwerkers en stofjeswerkers.

Borduurder
Een ware kunstenaar op zijn vakgebied. Een borduurder, ook wel 'borduerwercker' genoemd, moest 'veel stuckskens ende draetkens van verscheydene verwen konstelick ende aerdighlick aen malkanderen voeghen, alsoo datter een schoon beelt, ofte ander fraey werck van komt'.

Bossemaker
Geweermaker, ook roermaker. Zie bussemaker.

Bouwman
Eigenlijk iemand die het land bebouwt, bewerkt, een landbouwer, een akkerman.

Brandewijnbrander
Brandewijn is een alcoholische drank, verkregen door distillatie uit gegiste grondstoffen. Dat zijn vloeistoffen waarin door gisting alcohol is ontstaan. Men gebruikt hiervoor graan, druivesap, vruchten of de wortel van de gentiaan.

Brandewijntapper
Eigenlijk een waard, een cafťhouder, die voor iedereen die een borrel nodig had, een glas brandewijn tapte.

Bratwerker
Zie boratwever.

Breier
"Zulke personen, die door middel van priemen hand- en beenkleederen van garen met mazen of steken in elkander werken, noemt men breiders of breidsters."

Brillenmaker
Wanneer de eerste brillen in Nederland werden gemaakt is niet bekend. Omstreeks 1300 zou in Haarlem de bril reeds zijn gebruikt als hulpmiddel bij het lezen. Oorspronkelijk waren de brillenmakers alleen in de steden te vinden. Daar woonden mensen als kooplieden, magistraten, advocaten, kortom mensen die konden lezen en schrijven. Later, toen men op het platteland ook de leeskunst machtig was geworden, trok de brillenmaker er op uit met zijn houten kraam voorzien van allerhande soorten brillen om zijn waren te slijten.

Broodbakker
Brood, vanouds het meest gewone voedsel en dus een eerste levensbehoefte. Ook in het verleden kende men allerlei soorten brood. Zo had je het fijne 'heerenbroot' en waren er broodsoorten van haver, gerst en zelfs bonen. Door toevoeging van allerlei kruiden kon men veel variaties maken.

Broodweger
Door de stedelijke overheid aangestelde personen, die tot taak hadden het door de bakkers gebakken brood op gewicht te controleren.

Brouwer
Bier is zo oud als onze beschavingsgeschiedenis en dus het beroep van brouwer ook. Toch was het brouwen van bier tot in de middeleeuwen thuiswerk, gedaan door vrouwen als onderdeel van de huishoudelijke taak. Men gebruikte daarvoor in een stad als Amsterdam het toen nog heldere grachtwater en uiteraard gruyt. Dit gruyt was een mengsel van verschillende kruiden waarmee men het bier smaak en aroma gaf. En dat ouderwetse gruytbier werd kortweg 'kuyt' genoemd en de brouwers die dit bier maakten waren kuytenbrouwers. En toen de hop werd gebruikt voor het brouwen van bier ontstond de naam hoppenbrouwer.

Buskruitmaker
Buskruit is een poeder voor bussen; dat is geschut. Het zou in 1350 voor het eerst zijn toegepast. Het is een licht ontbrandbaar mengsel van houtskool, salpeter en zwavel. Vroeger sprak men van 'bussencruyt' en 'bossencruyt'. Het was bovendien een gevaarlijk goedje en de stadsbestuurders van weleer probeerden het zoveel mogelijk buiten hun muren te houden. Het waren molens (kruitmolens) waarmee buskruit werd gemaakt.

Bussemaker
Ook wel bossemaker genoemd. In de middeleeuwen was 'bus' een naam voor allerlei geschut. Later, in de zestiende en zeventiende eeuw, was bus een draagbaar vuurwapen, een geweer. Een bussemaker was dus een geweermaker.

C

Caffawerker
Ook kaffawerker. Caffa is een zijden weefsel van gebeeld of gebloemd fluweel. De caffawerker was dus arbeidzaam in de lakennijverheid. Veel van de caffawerkers waren afkomstig uit de zuidelijke Nederlanden.

Cementmaker
Cement is een bindmiddel, bereid door het sinteren en vervolgens fijnmalen van kalk en mergel. Vroeger was tras een van de voornaamste cementsoorten. Tras werd gemalen van tuf- of nduifsteen en de kwaliteit van de tras werd nauwkeurig in het oog gehouden. De tras werd gemalen in de trasmolen.

Chirurgijn
Een beroep dat van oudsher samenging met dat van baertscheerder (zie aldaar). Het kwam erop neer dat alle verrichtingen aan het lichaam van de mens met een scherp werktuig behoorden tot het vak van de chirurgie.

Chocoladewerker
Omstreeks 1685 werd in Amsterdam chocolade als drank in het openbaar geschonken. Die chocoladedrank werd bereid door stukken bittere chocolade te smelten waarin nog al het vet van de cacaobonen zat. Ruim de helft van het gewicht bestond zelfs hieruit. Pas in 1828 vond Coenraad Johannes van Houten een manier uit om via mechanische weg dit vet te verwijderen en hiermee ontstond de cacaopoeder.

Cipier
Zolang als er gevangenissen bestaan, zo lang zijn er ook gevangenbewaarders of cipiers. En gevangenissen zijn al zo oud als de mensheid. Van oudsher waren het kerkers in de kastelen en als gevangenis ingerichte stadstorens. Later kwamen de rasp-, spin- en tuchthuizen. In het rasphuis moesten de gevangenen onder toezicht van de cipier het harde en zware BraziliŽnhout met een zware zaag raspen. In het spinhuis zaten de 'ongebondene vrouwspersonen'. Die brachten hun gevangenistijd door met spinnen, maaien en breien. Uiteraard onder streng toezicht van een bewaakster. Later werden rasp- en spinhuis verenigd in een tuchthuis.

Cnopere
Onder andere een benaming voor een moonik van de Orde der Franciscanen of Minder Broeders, die als gordel een koord met drie knopen droegen.

Coffyschenker
Zie koffieschenker. Houder van een koffiehuis.

Confitemaecker
Vervaardigde suikeren tempels en dergelijke, die op feestmaaltijden en dergelijke prijkten.

Coolman
Warmoezier, groenboer.

Coomenyhouder
Ook komeyhouder. Houder van een komeny. De coomenyhouder werd ook wel kooman, koomen, coman of comen genoemd. Aanvankelijk gaat het om een winkel waarin zaken van de meest uiteenlopende aard, voornamelijk etenswaren en huishoudelijke artikelen, te koop waren. Zij omvatten onder meer de zogenaamde vette waren als spek, ham, boter en kaarsen. Verder bier, erwten, bonen, gort, meel, luiwagens, boenders, zwavelstokken en grauw papier. Er mocht niet alles worden verkocht.

CopiÔst of copiŽerder
Ook kopiÔst of kopiŽerder. CopiÔsten, die men ook wel afschrijvers noemt, zijn zij die de door een ander gestelde stukken "weder afschrijven, zoo dat hunne kopijen aan de oorspronkelijke stukken, wat den inhoud betreft, gelijk zijn. Hiertoe wordt gevorderd dat iemand eene goede leesbare en vlugge hand schrijft; - de spelling en taalkunde, tenminste werktuigelijk, magtig is; - zindelijkheid, netheid en naauwkeurigheid in zijn werk toont; - groote geoefendheid en vaardigheid in zijne kunst bezit, en dat hij geheimhouding bewaart, waar dit gevorderd mogt worden."

Coppelaetster
Deze zette koppen bij haar sexegenoten.

Courantier
Iemand die een courant schrijft of uitgeeft.

Craembewaerster
Zij zorgde voor de kraamvrouwen. Zij was geen baker, min of zoogmin, die meer op de verzorging van de kraamkinderen gericht waren.

Crudenare
Verkoper van kruiden en wortelen. Voorloper van de apotheker.

Cruydenier
Ook kruidenier. Oorspronkelijk was de cruydenier, zoals het woord aangeeft, plantkundige, in het bijzonder betreffende geneeskundige kruiden. Ook iemand die kruiden of specerijen en aanverwante artikelen verkoopt, oorspronkelijk zowel voor geneeskundig als voor keukengebruik, zodat destijds ook de apothekers onder de kruideniers gerekend konden worden.

Cupebindere
Vatenbinder, kuiper. Vroeger werden de delen van de vaten niet met ijzeren banden maar met bewerkte wilgentenen verbonden.

D

Damastwercker
Ook wel damastwever. Men kende verschillende soorten damast. Oorspronkelijk is het zijdeweefsel. Later gebruikte men ook linnen, halflinnen en katoenen garens. In beginsel wordt damast uit ťťn soort garen vervaardigd in een effen kleur, maar door de verschillen in lichtweerkaatsing van de ketting en inslagdraden komen de patronen toch duidelijk uit. In het begin gebruikte men damast voor verschillende doeleinden, zoals kleding, behangsel, gordijnen en bekledingsstof voor meubelen, later ook als tafellinnen.

Dansmeester
Onder dansen verstaat men "de kunst, om met vaardigheid de beweging de voeten, of de zogenaamde passen, naar een bepaalde maat, interigten. Zij welke in deze kunst aan aanderen onderricht geven, worden dansmeesters genoemd."

Darmsnarenmaker
De vervaardiger van snaren voor muziekinstrumenten, later ook voor (tennis-)rackets en voor als "catgut" bekende soorten chirurgisch garen. Hiervoor werden speciaal de darmen van schapen en geiten gebruikt.

Dekker (dakdekker)
Het ambacht van dekker is het dekken van gebouwen, dat wil zeggen gebouwen van dakbedekking voorzien. Naar de verschillende manieren van dakdekken onderscheidde men koper-, lei-, lood-, riet-, stroo- en zinkdekkers.

Delver
De zand- en grinddelver baggerde de grondstoffen voor wegenaanleg, steenfabricage (en later betonbouw) uit de rivierbodem. Oorspronkelijk en beperkt gebeurde dit eeuwenlang met behulp van de hand- en hijsbeugel, waarbij gebruik werd gemaakt van menselijke spierkracht. Een beugel bestond uit een lange stok met onderaan een ijzeren ring (de eigenlijke beugel), waaraan een zak of net was bevestigd. Door de stok tegen de schouders te laten rusten kan de delver of baggeraar zijn twee handen gebruiken om op de bodem zijn beugel vol te trekken, die daarna op te tillen en in een schuit of op de wal te legen. Voor het baggeren op wat grotere diepten moest de beugel door twee mannen bediend worden. Al vrij gauw werd een eenvoudige installatie geplaatst met een lier of katrol, waarmee de beugel vol werd getrokken nen meestal ook boven water getild.

Destilleerder
Ook distilleerder of distillateur. Iemand die zijn beroep maakt van het distilleren van sterke dranken.

Diamantbewerkers
Ook diamantwerkers genoemd. In India werden diamanten een paar eeuwen voor het begin van onze jaartelling reeds voor verschillende doeleinden gebruikt. In de middeleeuwen waren het voornamelijk de Spanjaarden, de Portugezen en de Venetianen, die het handwerk van diamantslijpen beoefenden en over Europa verspreidden. Toen de Spanjaarden aan het eind van de 16e eeuw de havenstad Antwerpen veroverden, weken onder meer ook diverse diamantbewerkers uit naar Amsterdam. Naast de sierdiamant nam ook het gebruik van de industriŽle diamant hand over hand toe. Tot rond 1820 was het diamantbewerken vooral thuiswerk. In 1822 werde de eerste 'paardenfabriek' in werking gesteld, waarbij paardekrachten de vroegere 'molendraaisters' vervingen. In 1840 kwam de eerste stoomslijperij in bedrijf.
Van 1750 tot 1790 liep het aantal diamantbewerkers terug van zon'n 600 tot nauwelijks 200. In de tijd van de malaise kon de niet-Joodse handwerksman niet op tegen zijn Joodse collega's, die met een lager loon genoegen namen en bij het thuiswerk vaak hun hele familie inschakelden.
Bij het diamantbewerken onderscheidt men verschillende functies:


Diamantzager
Zaagde de achtkantige ruwe diamanten in de gewenste vorm.

Diamantklover (-klooftser)
Geeft de diamant de vorm van een zuiver kristal en verwijdert de onzuivere gedeelten.

Diamantsnijder (-snijdster)
Geeft de gekloofde diamant door schuren en wrijven de grondvorm.

Diamantslijper
Geeft de diamant de uiteindelijke vorm.

Diamantversteller
Zet de te slijpen diamant telkens zo in de dop vast, dat het te slijpen vlak boven ligt.

Diefhenker
Ontleend aan dieb(s)hencker. Persoon die dieven ophangt, beul.

Diefleider
Dienaar van de schout, belast met het aanhouden en ter terechtstelling voeren van dieven, andere misdadigers en wetsovertreders. (Diefleiderschap is het ambt van diefleider).

Dienstbode
Thans vooral vrouwelijk persoon, die bij een ander in loondienst is om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Vroeger was dit begrip uitgebreider: 'Dat onder sodanige domestique dienstboden begrepen te zyn alle straatjuffrouwen, gouvernants van mesnage ofte kinderen, inwonende naeysters, minnens, opsienders, secretarissen, pedagogen, pages, kamerdienaars, hof- ende stalmeesters, comtoir-, winkel- ende kelder-knegts, winckeldochters of meysjens, koetsiers, hoveniers, ende generalyk alle andere knechts, jongens ende maagden, hoedanig die ook mochten werden genaamt, soo wanneer deselve maar in dienst en kost van ymand zyn, ofte dat andersints het kostgeld apart, ofte met ende beneffens 't loon in eene massa bedongen of begrepen is'.

Dienstman
Ook dienestman genoemd. Dit was geen beroep maar een functie. Deze hield in dat de betreffende persoon jegens een persoon of lichaam, dat wil zeggen jegens de bezitter van zekere goederen of rechten, meestal krachtens een leenband, verplichtingen had, in het bijzonder tot het verrichten van gewapende dienst. Dit was vooral van toepassing op de een aanzienlijke stand vormende, maar aanvankelijk onvrije vorstelijke en bisschoppelijke beambten of de uit deze beambten voortkomende stand.

Dieper
Aannemer van rivier- en baggerwerken. Afgeleid van diepen, het dieper maken, uitdiepen. Een van de methoden was het gebruik maken van de stroom door water op te stuwen en dat dan te spuien. Soms maakte men daarbij gebruik van 'krabbelaars' of 'mollen'. Deze mollen of krabbelaars waren scheepjes, waarbij uit de bodem ijzeren eggen werden neergelaten. Deze dienden om de grond los te woelen, zodat deze gemakkelijk kon worden weggespoeld. In de 16e eeuw begon men gebruik te maken van moddermolens, waarbij de modder met behulp van tredmolens, door mankracht aangedreven, werd opgebaggerd.

Dijkbaas
Opzichter over een dijk.

Dijkbode
De beambte die onder meer aanzeggingen doet en gelden ophaalt voor een dijkbestuur.

Dijkgraaf
Deze is voorzitter van het dagelijks bestuur van het waterschap.

Dijkmeester
Ambtenaar belast met het toezicht op de werkzaamheden aan een dijk.

Dijkmeter
Ambtenaar belast met metingen op de dijk.

Dijkrechter (-richter)
Overheidspersoon belast met toezicht over dijken (dijkgraaf).

Dijkschepen
Lid van een dijkbestuur, dijkheemraad.

Dijkschrijver
Secretaris van een dijkbestuur.

Dijkwerker (dijker)
De arbeider, die het werk aan de dijken verricht.

Dischmeester
Komt in twee betekenissen voor: tafelmeester en armmeester.

Dobbelmeester
Ambtenaar belast met het toezicht op dobbel- en hazardspelen.

Dokter (medicus)
In de zestiende en zeventiende eeuw waren er nog weinig dokters en die weinigen oefenden hun praktijk vooral in de grote steden uit. Eerst in 1575 begon de opleiding tot medisch doctor in ons land. Voordien moesten zij hun wijsheid elders opdoen. In de eerste plaats was de dokter vooral in de beginperiode een theoreticus, die zijn kennis ontleende aande boeken van Hippocratus en Galenus. In de eerste helft van de zeventiende eeuw werd de medicus eigenlijk voor het eerst geconfronteerd met de zieke mens in de kliniek. Geen arts zou zich in die begintijd veroorloven de geneeskunde praktisch uit te oefenen. Op zijn voorschrift werd het handwerk uitgevoerd door de chirugijn en de vroedvrouw. Bij bevallingen, waarbij intrumentaal ingrijpen nodig was, geschiedde dat door een gespecialiseerd chirurgijn, de vroedmeester. Was men ondermeer onbekend met ziekteverwekkers en het overbrengen door ongedierte als ratten, muizen envlooien, ook de verdere medische kennis was in de begintijd nog zeer gering. Ziekten waarmee men destijds te maken had, waren onder meer pest, cholera, syfilisen malaria.

Donderbusmeester, dondermeester
Artillerieofficier. Een donderbus is een vuurmond, kanon.

Doodgraver
Persoon wiens ambt het is doden te begraven.

Draaijer (draaier)
'De kunst om onderscheidene ruwe stoffen door een daartoe geschikt werktuig rond te bewegen en er dan met beitels eenen bepaalden vorm aan te geven, noemt men draaijen en de uitoefenaars dezer werking heeten draaijers.' Dit werk geschiedde aan een draaibank en de werktuigen van de draaiers waren hoofdzakelijk een lange, veerkrachtige staak aan een koord en een beitel. Het voorwerp dat men draaide liep in twee ijzeren puntjes, terwijl de draaier de beitel bestuurde. De ruwe stoffen waarmee de draaier werkte waren hout, ivoor, been, notenschalen, ijzer, tin, lood, etc. Hiervaan vervaardigde hij stoelen, knoppen, nappen, koppen, vaatjes, messenheften, vorkenheften, beitelheften, hamerstelen, knopen, inwendige delen van uurwerken, koffiepotten, ketels, zelfs zware molenassen, ankers en de nog zwaardere luidklokken. Een draaier is ook iemand die rond aardewerk draait met behulp van een pottenbakkersschijf.

Drapenier
Geleidelijk aan nam de vraag naar wol toe en ging men ook hogere eisen stellen aan de geweven stoffen. Het inkopen werd daardoor tijdrovender en stelde hogere eisen aan de financiŽle middelen, vooral toen men onder meer Engelse wol ging gebruiken. Daarbij kwam dat de wol alleen in bepaalde steden verhandeld mocht worden. In het laatst van de dertiende eeuw was Dordrecht een stapelplaats voor Engelse wol, later Brugge en omstreeks 1350 werd dat Calais, dat in 1346 door de Engelsen op de Fransen was veroverd. Voor Engeland was dat een ideale situatie, omdat ze zo een scherpe controle op tollen en uitvoerrechten konden uitoefenen, waardoor de inkomsten van de Engelse koning veilig gesteld waren.
Dit alles heeft bevroderd dat de beter gesitueerde wevers en ook kooplieden de wol inkochten. De deelbewerkingen als wassen, spinnen, weven en vollen werden door hen uitbesteed. Zo werden reeds in de veertiende en vijftiende eeuw in de Zuidelijke en later ook in de Noordelijke Nerderlandem de zelfstandig werkende ambachtslieden verdrongen door mensen, die zich in dienst van anderen, de drapeniers of lakenreders, stelden.


Drijver
Iemand die personen of dieren voortdrijft.

Dro(o)ger
Bij diverse vormen van voortbrenging kwam een droogfase voor. Zo waren er bijvoorbeeld visdrogerijen, drogerijen voor geneeskundige- en aromatische planten en drogerijen voor ossebloed.

Drogist
De drogisten werden in de zestiende eeuw materialisten genoemd. Zij werden stelselmatig buiten de gilden van de apothekers en cruydeniers gehouden. Toch verkochten ze veel kruiden, al dan niet op recept. In oorsprong staan cruydenier en drogist dicht bij elkaar.
Drogisten waren zij die ui de drie natuurrijken, doch hoofdzakelijk uit het plantenrijk die ruwe stoffen verzamelden en de eerste bewerking deden ondergaan, welke voor de genezing van mensen en dieren dienstig geoordeeld werden of waaraan door de geneeskundigen een herstellend vermogen toegekend werd.


Droller (drolster)
Arbeider of arbeidster aan een verdeelstoel of drolmachine, dat wil zeggen een werktuig, verdeelmachine, waarin de katoen een laatste bewerking van het voorspinnen ondergaat (vermoedelijk op de klank af gevormd naar het Engelse drawing-frame).

Drooggasterijhouder (ook drogasterij of droge gasterij)
Houder van een inrichting waar men de gelegenheid geeft iets te eten en te drinken, maar niet om alleen gebruik van drnaken te maken.

Droogmeester
Degeen die het bewind der visdrogerijen heeft. Zo sprak men vroeger over 'Droogen-Haring, Bocx-Haringh oft Ty-Bucking'.

Droogscheerder (doekscheerder)
De droogscheerder maakte deel uit van de lakennijverheid. Hij 'schoor' of eigenlijk knipte het gedroogde laken glad door de uitstekende vezels te verwijderen met een grote schaar, die de hele breedte van de scheerdis bestreek. Het weefsel werd daartoe eerst geruwd met behulp van de stekels van de kaardebol, die men daartoe speciaal kweekte.
De beste kwaliteit laken werd aan beide kanten bewerkt. Deze soort heette vroeger 'scaerlaken'. De lakens uit Den Bosch ('Bussche lakens') waren in de veertiende eeuw om hun kwaliteit reeds gezocht in verschillende Europese landen.
Het gildewezen zorgde dan ook voor een intensieve kwaliteitsbewaking. De droogscheerder die doorwerkte bij lamp- of kaarslicht kreeg een stevige boete als men hem betrapte.


Drossaard (drossaert, later drost)
Titel van een voormalig rechterlijk en bestuursambtenaar ten plattelande. In zijn ambstgebied was de drost de justitiŽle gezagsdrager namens de soevereine macht; dat is in de middeleeuwen de vorst en ten tijde van de Republiek bijvoorbeeld de Staten van Holland.

Duinmaaier
Hij verrichtte maaiwerkzaamheden in de duinen.

Duinman
Als variatie van de huisman (= boer), die in de duinstreken landbouw beoefende en ook de duinen (met helm) beplantte. Duingrond was en is geschikt voor het verbouwen en kweken van bepaalde gewassen als duinzandaardappelen en bollen, zoals ook nu nog gebeurt. Als nevenfunctie was hij soms tevens duinopzichter, die het toezicht in een bepaald duingebied had.

Duinmeyer (of duinhouder)
Pachter van een stuk duingebied, die eveneens vaak tevens als duinopzichter fungeerde, die tegen overtredingen had te waken.

E

Eekschiller (ook eikschiller)
Deze schilde het eikenschors van het hout. Deze schil werd gebruikt bij het looien van huiden.

Elsenaar
Hij die met de els werkt, schoenmakersknecht.

Essayeur (assayeur)
Iemand wiens werk het is gouden en zilveren voorwerpen op hun gehalte te onderzoeken.

Estrikbakker (tegelbakker)
Vervaardigde muur- en vloertegels.

F

Factoor
Iemand die voor rekening van een ander zaken drijft, zaakgelastigde, zaakwaarnemer. In de graanhandel iemand die zich belast met de zorg en het verschieten van graan; dan spreekt men van graanfactoor.

FaÔencebakker.
Zie majolicabakker.

Fo(e)lieslager
Dit was iemand die metalen tot zeer dunne bladen uitsloeg. Dit gebeurde voor verschillende doeleinden. Zo maakte men fo(e)lie van tin, verder van een amalgaan (verbinding) van tin en kwik, waarmee men spiegels en ook wel edelstenenvan achter bekleedde om de terugkaatsing van het licht te versterken, goud, koper, platina en zilver.

Frizeerder (friseerder)
Deze was werkzaam in de lakenindustrie. Nadat het laken geweven was en verder werd bewerkt kwam het in handen van de friseerder of nopper. Als regel was dit echter vrouwenarbeid, waarbij men dan spreekt van nopster of wiedster. Zij verwijderden oneffenheden, die als gevolg van de knoopjes, die de wever had aangebracht om gebroken draden te herstellen, waren ontstaan. Zij bedienden zich daartoe van scherpe ijzers of messen. Deze noppen werden gebruikt voor het vullen van bedden en het vervaardigen van slechte soorsten laken. Kennelijk werd hierbij ook gebruik gemaakt van zogenaamde friseerborden, die de kwaliteit van het laken aantastte, gezien een bepaling in de Keuren van de Leidse Lakendraperie: "Niemand sal tot het noppen vande laeckens mogen gebruycken frijseerborden of eenige andere diergelijcke schadelijcke instrumenten."
Men kent het woord friseren (frizeren) ook in een andere betekenis: het haar in de krul zetten. Ook hierbij komt de term friseerijzer voor, maar dan in de betekenis van krultang.


G

Garbuleerder, garbuleur
Iemand die uit droge waren de onreinheden zocht.

Gardenier
Hovenier of tuinman.

Gareelmaker
Deze vervaardige met behulp van het gareelblok, waarop men het gareel de vereiste vorm gaf om het om de hals en schouders van het trekdier passend te maken, garelen.
Het gareel was oorspronkelijk een halsjuk van een trekdier, vervaardigd van leer. Later werd ook het getouw, waarin een trekdier gespannen werd, de trekstrengen, waarmee het aan het halsjuk oftewel haam verbinden werd, tot het gareel gerekend.


Garenman
Winkelier in garen en lint.

Garentwijnder
Iemand die als beroep garen of zijde twijnt. Het twijnen of tweernen bestaat uit het ineendraaien van twee of meer vezels.

Garesietster
Kookster van tot garen gesponnen en gehaspeld vlas dat geweven wordt.

Geelgieter
De geelgieter giet allerlei voorwerpen van geelkoper of messing.

Geneesheer
'Zij, die uitwendige kwalen bij den mensch, b.v. gebrokene ledematen, wonden, breuken, enz. herstellen, noemt men chirurgijns fo heelmeesters, en die de kwalen van de inwendige deelen bij den mensch herstellen, dragen den naam van doctoren, artsen of geneesheren. De geneesheer moet dus in de eerste plaats eene grondige kennis van het menschelijk ligchaam bezitten; ten tweede moet hij de ongesteldheid der menschen kennen; ten derde moet hij kennis van geneesmiddelen bezitten; ten vierde moet hij bekend zijn, welke vermogens en krachten de medicijnen bezitten en in welke mate hij dezelve aan zijne lijders moet toedelen; ten vijfde moet hij den vereischten leefregel, die de zieken te volgen hebben, weten te bepalen'.

Gever
Een gever dompelt de gedraaide voorwerpen in een bad van loodglazuur of begoot c.q. besprenkelde het daarmee, waarna de voorwerpen weer op de rekken gezet werden om te drogen. De loodglazuur trekt in de poriŽn van de klei en geeft een goede onderlaag. Loodglazuur is echter niet bevorderlijk voor de gezondheid. Men gebruikte tinglazuur voor de binnenkant.

Gewrochten
Bij de verwerking van meekrapwortels werden in het stamphuis de gedroogde wortels fijngestampt. In dit stamphuis verrichtten onder leiding van de droger, een drijver (later stoker-machinist) en een onderman als vaste kern de noodzakelijke werkzaamheden. Dit team tezamen werd wel als de gewrochten aangeduid. Hieronder vielen niet de losse werklieden, die als opdoeners, dorsers en slepers dienst deden. Het finstampen op zich was niet het prettigste werk want het diende bij nacht te gebeuren, omdat het daglicht een nadelige invloed op de verfstof uitoefende.

Ghitaerneman
Vermoedelijk een speler op een soort harp.

Gleibakker
Maakte glanzend wit aardewerk.

Graefmaecker
Doodgraver.

Grietman
Grietmannen bekleedden een overheidsfunctie. Ze hadden grote macht. Het was de man die in rechte aanspreekt, de publieke vervolger en aanklager. Tevens was het de persoon die, de bijzitters gehoord hebbend, recht had te doen en vonnis te wijzen. Het was de hoogste rechterlijke en burgerlijke adminstratieve magistraatpersoon.

Grootdraaier
Zie
aardedraaier.

H

Hobbelstudent
Zie schommeljongen.

Hoemaker
Vervaardiger van hoeden.

Hoetstoffeerder
Deze versierde en voltooide de hoeden met pluimen, hoedbanden, gespen, etc.

Hooier
Zie maaier.

Hopbeschoeijer
Deze moest van ladingen hop de hoeveelheid begroten, het beschot aangeven.

Houtklover
Zij zorgden voor het stookhout van de juiste soort en de juiste grootte, welke nodig was voor het bakken van aardewerk. De oven kon gemiddeld een keer per week worden gevuld, gestookt en na het afkoelen geleegd.

I

Inslager
Grossier in koopwaren.

J

K

Kistenmaker
Zie schrijnwerker.

Kokermaker
Zij zorgden voor de juiste kokers. Deze kokers vulden zij voor de eerste bakronde van het aardewerk, het 'biscuitbakken', met een reeds gebakken bord boven- en onderaan. Daar tussenin kwamen de verse borden direct op elkaar te liggen. Bij het vullen met beschilderde borden moest men natuurlijk veel voorzichtiger zijn en het glazuur aan de bovenzijde niet beschadigen. Daarom werden die borden met enige tussenruimte gestapeld. Men deed dit o.a. met behulp van driehoekige proenen, schijfjes met drie pennetjes op een bepaalde hoogte. Ook gebruikte men ovenkokers met driehoekige gaatjes er in voor de tweede bakgang. In die gaatjes werden aardewerk staafjes gestoken, de bakpenne, waarop het eenmaal gebakken en van glazuur voorziene aardewerk geplaatst werd. De gevulde kokers zette men in de meest economische stapeling in de oven.

Kooltjer
Een kooltjer was in de negentiende eeuw een kleine akkerbouwer die zich toelegde op de teelt van tuinbouwprodukten (zoals uien, aardappelen en natuurlijk kool).

Kousmaker
Vervaardiger van kousen. Deze werden niet gebreid maar genaaid. Ze bestonden uit een bovendeel (hauts de chausses) en een benedengedeelte (bas de chausses). Dit deel wordt nu kous genoemd.

Kraanzager
Zie houtzager. Het werken met de kraanzaag, die werd gehanteerd door twee mannen. Dit diende om (voor de periode van de hootzaagmolen) van boomstammen balken en ribben te zagen, een zware en monotone arbeid.

Kraenkinders
Werkzaam als waagwerkers.

Kralenmaker
Vervaardiger van kralen, die uit allerlei materialen konden bestaan, zoals porselein, glas, hout, metaal, koraal, hars (barnsteen), been, enz.

Kramer (kremer, kleinkram(st)er)
Oorspronkelijk het verkopen van waren in het klein.

Krotenspitter
Krotenspitten oftewel meedelven was seizoenarbeid. In de herfst werden krotenspitters aan het werk gezet om de wortels van de twee- of driejarige meekrapplanten uit te graven. Meekrap diende als grondstof voor een rode verfstof.

Kruier
Kruiwagens vormden enkele eeuwen geleden de basis van het bestaan van de kruier. Kruiers vervoerden vrachten voor derden.

Kruikenkoper
Handel in allerlei kruiken.

Kruitmaker, kruitmolenaar
Degeen die kruit vervaardigde. Het buskruit werd op kruitmolens gemalen, vermengd en gezeefd. Grondstoffen waren salpeter, houtskool en zwavel.

Kruitverleser (kruydlezer)
Zie garbuleerder, garbuleur. Iemand die uit droge waren als kruiden en specerijen de verontreinigingen zocht en verwijderde.

L

Leerkoper
Handelaar in leer

Leerlooier
Zie leerbereider.

Leeskabinethouder
Beheerder van een leeskabinet. Een leeskabinet was een kamer waar men de gelegenheid had boeken, tijdschriften en couranten te lezen.

Leesmeester (lesemeester)
1. Meester die in het lezen onderwijst.
2. Meester die in het openbaar les gaf.


Leeste(n)maker
De leestenmaker vervaardigt houten modellen van voeten waarover een schoenmaker een schoen vormt.

Legatuurmaker, legatuurwerker, legatuurwever
Legatuur was een soort stof die op brocaat of goudlaken leek.

Legger, leggerjongen
1. Degene die de haring recht op elkaar moest leggen.
2. In de handpapiermakerij werden na het scheppen de vellen vochtig papier tussen lappen vilt gelegd. Als de stapel voldoende hoog was werd deze in een pers onder druk gebracht om zo veel mogelijk vocht te verwijderen. Na het persen werden de vellen uit de vilten gehaald en zonder tussenlagen op elkaar gestapeld. Dit werd vooral door jongens gedaan, die men leggers of leggerjongens noemde.


Leggermaker
Leggers, laagjes papier en karton van verschillende samenstelling, hadden in de hoogdruk de functie zorg te dragen dat de gehele drukvorm egaal het papier bedrukte. De legger plus het te bedrukken papier moesten samen een bepaalde dikte hebben, waarbij de legger niet te zacht mocht zijn, zodat de drukvorm niet te diepe moeten in het te bedrukken papier veroorzaakte. Via de legger waren ook aanpassingen aan de drukvorm mogelijk. In een kleine drukkerij vervaardigde de drukker zelf zijn leggers, maar in grotere bedrijven zorgde een leggermaker voor de goede leggers.

Leidekker
Vroeger werden m.n. bij voorname gebouwen (bijv. kerken, kloosters) leien en leipannen als dakbedekking gebruikt. De leidekker dekte het dak met leien en leipannen.

Lindewaeryester
Vrouw die een linnenwinkel hield.

Linemakere
Maker van lijnen, koorden.

Lintier (lintmaker, lintwerker)
Linten, waaronder men ook band en boordsel of galons kan rekenen, zijn smalle weefsels. Het weven geschiedde o.a. met behulp van lintmolens. In kleine werkplaatsen werd gebruik gemaakt van het lintmakersgetouw of de schuifstoel. Daarnaast kende men het handgetouw, weefgetouwen met snel-schietspoelen en de lint- of bandmolen.

Lintkramer
(Klein)handelaar in linten.

Lintmolenmaker
Vervaardiger van lintmolens, gebruikt voor het weven van linten.

Lintopmaakster
Zij maakte de geweven linten op.

Lintverver
De lintverver gaf de linten, voor zover deze niet uit gekleurde garens geweven waren, zo nodig de gewenste kleur.

Lithograaf
De term lithograaf werd gebruikt voor degenen die bezig waren met verschillende fasen van het steendrukken: Lithograaf als tekenaar, die de illustraties en teksten op de lithostenen aanbracht. Lithograaf als steendrukker, degene die de vlakpers bediende, de eigenlijke steendrukker. Lithograaf als fotolithograaf, voor de vlakdrukkereij (steendruk en later ook offsetdruk) maakte de lithograaf na de uitvinding van de fotografie met behulp van een grafische camera opnames of deelopnames van foto's, tekeningen, schilderijen of modellen op natte of droge glasplaten of films, zo nodig met behulp van kleurfilters, in raster of halftoon, ten behoeve van een te maken drukwerk, in ťťn of meer kleuren vlakdruk uitgevoerd.

Lombard(ier), lommerdbaas, lommerdhouder
Destijds benaming voor geldhandelaren, bankiers, wisselaars en pandjeshuishouders.

Lompenscheider, lompenlezer, lompensorteerder
De gebruikelijke grondstof voor het vervaardigen van papier bestond uit min of meer versleten geweven stoffen, waarbij door het gebruik de samenhang van de fijnste vezeltjes in de draden van het spinsel meer verbroken is. De voorkeur ging uit naar linnen lompen, welke het fijnste, gldste, dichtste en stevigste papier leverde. Daarnaast werden katoenen lompen verwerkt, die een sponzig, week, ijl papier opleverden. De lompenlezer of sorteerder moest verschillende zaken in het oog houden, o.a. de meer of mindere mate van versletenheid en de kleur. Fijne of versleten lompen laten zich gemakkelijker fijn maken dan grove en/of weinig gedragene. Naast het sorteren van de lompen moesten ook de ongerechtigheden, zoals knopen, worden verwijderd.

Lompenscheurder
Deze scheurde de lompen met de vrije hand tot kleine stukken van drie tot vijf vierkante centimeter door middel van een staand op de werktafel bevestigd zeisvormig mes.

Loodgieter, lootgieter
Soms in combinatie met lei- of schaliedekker. Vroeger maakte de loodgieter zelf soldeer, dat deels uit lood bestond. Zij veroorzaakten vroeger nogal eens brand. Zij vervaardigden o.a. trotseer- of dakloodjes, veelal gegoten in de vorm van een wapenschild. Het eigenlijke loodgieten vond in speciale bedrijven plaats, waar het lood in bladen en andere manieren te dienste van het loodgietershandwerk werd vervaardigd.

Loodklopper, loodslager
Op een harde steen (liassteen), het loodgietersaambeeld, werd het lood plat geslagen.

Loodsman, lootsman, loods
De man die een schip de weg wijst in moeilijk bevaarnaar water. Meervoud: lootsluyden.

Loodwitmaalder, loodwitmaker, loodwitwerker
De witmolens leverden grondstoffen voor de aardewerk- en verfindustrie. Een speciale witmolen was de loodwitmolen. Het loodwit is een witte verfstof. Loodwitmolenaars rolden dunne repen lood op en deze werden in een zogenaamde oxydeerpot geplaatst. Deze pot werd gevuld met verdund zuur, meestal azijnzuur of salpeterzuur. Na vijf tot acht weken was het lood door inwerking van het zuur overgegaan tot loodwit. Dit materiaal werd gezeefd en gemengd met water. De aldus verkregen brij werd gedroogd en als loodwit verkocht. Loodwitmolens stonden vaak aan het water om de aan- en afvoer van stoffen te vergemakkelijken.

Loper(e), looper
Ook voetloper. Dit is een bode te voet.

Lulleman
Brandweerman. Lul is het mondstuk van de brandslang.

M

Maaier (ook hooier)
Degene die het graan of het gras maaide. Dit was vooral seizoenarbeid.

Maaksman, makeman
In Oost-Nederland gebruikte men de term voor een soort huwelijksmakelaar, bemiddelaar, die kon schrijven. Vaak was het een dorpsonderwijzer die kon schrijven en die voor het toekomstige paar de huwelijksvoorwaarden opmaakte. Men kent ook de term 'maaksmaal', voor de feestelijke bijeenkomst waarop de huwelijksvoorwaarden gemaakt werden. Men inderscheidt de maecmaker, degene die een huwelijkscontract tot stand brengt en de maec(s)man, die als getuige aanwezig was bij het sluiten van het huwelijkscontract.

Maerseman
Verkoper langs huizen of via een marktkraam (ambulante handel).

Magistraat
Geen eigenlijke beroepsaanduiding. De magistraat bestond uit het stadsbestuur.

Magnesietmaler
Hij verwerkte magnesietsteen (magnesiumcarbonaat), een gesteente dat veelal kleurloos of wittig is. Magnesiet dient voor de vervaardiging van vuurvaste tegels en vloeren.

Mahoniewerker
Iemand die mahoniehout bewerkt. In een aantal gevallen bezig met een bepaald onderdeel van het productieproces, bijv. het draaien van stoelpoten. Mahoniehout is een houtsoort die veel werd gebruikt voor de vervaardiging van meubelen, zowel massief als in de vorm van fineer.

Majolicabakker
Ook faÔencebakker, petielbakker of plateelbakker en verglaesde wercker genoemd. Naast de pottenbakkers, die van oudsher de stenen gebruiksvoorwerpen vervaardigden, afgewerkt met loodglazuur, nam het aantal majolica- of plateelbakkers in het begin van de zeventiende eeuw aanzienlijk toe. Het productieproces van plateel is in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. De grondstof is ook hier klei, die voor het eigenlijke gebruik gereinigd moet worden. Grijze klei gebakken wordt rode steen. Vervaardiging vond en vindt plaats met behulp van de draaischijf. Na het draaien wordt het vervaardigde voorwerp een nacht te drogen gezet voor verdere afwerking als het afvlakken van de bodem en eventuele aanzetten van oren. Daarna wordt het aardewerk gebakken in de pottenbakkersoven. De versiering wordt op het nog ongebakken hiervoor gebruikte tinglazuur aangebracht.

Makelaar
Thans een door de rechtbank beŽdigd persoon, die er zijn bedrijf van maakt te bemiddelen bij het tot stand brengen en het sluiten van overeenkomsten in opdracht en op naam van personen tot wie hij niet in een vaste betrekking staat. Reeds in de zestiende eeuw bestond dit beroep. Men was makelaar in allerlei producten en diensten, zoals bijv. granen, zijde, aandelen, wissels en zeeassurantiŽn. Om zich van de beunhazen te onderscheiden was de erkende makelaar verplicht, door betaling van hoge leges, een makelaarsstokje/stafje aan te schaffen. Dit is een houten stafje met beslagen zilveren knoppen aan de uiteinden, waarmee gezegeld kon worden. Het stokje stond dus voor kwaliteit.

Makelaarse, makelerse, makelares
Naast makelaar werd destijds ook voor vrouwen de term 'makelerse' of makelaarse of makelares gebruikt. Deze term, afgeleid van makelen, betekende iets door en schikking tot stand brengen. Zij was een koppelaarster, bijv. om een huwelijk tot stand te brengen, maar zij functioneerde ook als 'waardin van publieke vrouwen'.

Mandenmaker
Zie korfmaker.

Mangelaar(d), manglehart
Handelaar in o.a. appelmanghelare.

Mantelmaker
Vervaardiger van mantels, overkleden, welke al dan niet van een kap waren voorzien.

Mantelverhuurder
In de zeventiende eeuw was het rouwdragen zo algemeen dat onder aan het begrafenisbriefje stond vermeld dat men verzocht werd aan het het sterfhuis te verschijnen 'met de lange rouwmantel'. De meer welgestelde mannen hadden meestal een of meer lamfers (soort sluier waarmee men de rand van de hoed naar beneden hield) en een zwarte rouwmantel in hun bezit. Voor anderen ontstonden er rouwverhuurondernemingen waar men de benodigdheden kon huren, zo ook rouwmantels.

Marskramer
Verkoper die met de mars (een soort draagmand) op zijn rug bij zijn potentiŽle klanten langs ging.

Mastenmaker
Eeuwenlang waren de schepen in hoofdzaak zeilschepen. Derhalve was de mastenmakerij een veel voorkomend beroep. Na het vierkant zagen van de stam werd deze in de lengte doorgezaagd en binnenste buiten weer aan elkaar gelijmd om het trekken van het hout tegen te gaan. Vervolgens werd de paal op dikte gezaagd, naar boven toe smaller. Van de voet tot de bovenkant (hommer) werd hij nog eens smaller gemaakt en achtkantig gezaagd. Daarna volgde voorbewerking met het trekmes bij de voet en het hommer en werd hij met de hand rondgeschaafd en gladgeschuurd.

Matres
Zowel degene die we nu kleuteronderwijzeres noemen, als degene die tegenwoordig vakonderricht in naaien geven. Er waren zgn. matressenschooltjes. Het was een bestaansmiddel voor bijv. oude bakers en kostersweduwen. De kinderen werden 'bewaard' op allerlei plaatsen, bijv. vochtige kelders, bedompte kamers en op zolders. De bewaarster werd als matres aangeduid. De naai-matres oefende haar vak uit in een naaiwinkel. Ze had particuliere leerlingen, maar ook meisjes die haar door de diaconie gezonden werden.

Mattenbreier, mattenmaker
Zij vervaardigden matten, o.a. uit gedroogde biezen. Voor de fijnere soorten werd gebruik gemaakt van de fijnste soort biezen, die in gomwater werden gelegd en met was en een wollen doek werden opgeglansd.

Meedelver, meekroter
Zie krotenspitter

Meesterknecht
Zie opperknecht.

Merkantillithograaf
Zie schriftlithograaf

Messemaker
Vervaardiger van messen. Oorspronkelijk waren de zwaard- en degensmeden degenen die ook messen maakten, maar in de loop der tijd splitsten de messenmakers zich af. Voor het productieporces ging men uit van het zachte ijzer, dat verhit, op het aambeeld geleidelijk in de goede vorm werd geslagen en gehard door het in koud water, bloed, talk of urine te dompelen. De hecht (ook wel heft) bestond als regel uit hout of been.

Messenslijper
Tot in het derde kwart van de twintigste eeuw was de messen- en scharensliep, die met zijn kar van huis tot huis trok, een vertrouwd beeld. Hij sleep op een natte zandsteen, die hij met de voet draaiend hield, messen en scharen. In de winter sleep hij ook schaatsen.

Meterstokkenmaker
Vervaardiger van maatstokken.

Modderman
De modderman was werkzaam op een moddermolen, een varende baggerinstallatie. De emmers waarmee gebaggerd werd, werden eerst voortbewogen door mannen die in tredmolens liepen. Later werden zij door paardenkracht vervangen.

Molenmaker
Bouwer en reparateur van molens.

Mollenvanger (mollendelver)
Het vangen van mollen was als regel een bijverdienste. De boeren wilden de mollen die het land omwoelden graag kwijt. De mollenvanger plaatste in de door mollen gegraven gangen klemmen, waarin de mol zich vastliep. De gevangen mollen werden gevild en de velletjes werden opgespannen, gedroogd en aan opkopers verkocht. Tot na de Tweede Wereldoorlog was een winterjas gevoerd met mollenbont een gewaardeerde dracht.

Muntgewichtmaker
Gezien de grote verscheidenheid aan munten en de toestand daarvan (mogelijk afgesleten of gesnoied) beschikten de kooplui over muntgewichtdoosjes. Voor iedere bekende soort gouden munten bestond een eigen normaal gewicht in de vorm van een vierkant blokje koper waarop schematisch het betreffende muntstempel was aangebracht. Deze gewichtjes werden met de te gebruiken weegschaal bewaard in een plat houten doosje. Deze gewichten werden gemaakt door de muntgewichtmaker.

Muntheer
Zij die het recht hadden om munten te slaan.

Muntmeester
Degene die de leiding had over een munthuis. Deze muntmeester was in wezen een particuliere ondernemer, die van de muntheer het recht ontving munten te slaan, uiteraard tegen betaling. De voornaamste technische medewerkers van de muntmeester waren de stempelsnijder en de essayeur, die belast was met dhet controleren van de fijnheid van de grondstof en van de afgeleverde munten. Uiteraard was bij dit ambacht controle nodig om te voorkomen dat er geknoeid werd met het gehalte en het gewicht. De eindcontrole vond plaats door de wardijn, die in beginsel geheel onafhankelijk was van de muntmeester.

Musselare
Mosselman, mosselvisser, mosselkoopman.

N

Naaikussenmaker
Maker van naaikussens. Deze werden gebruikt om naaigoed op te spelden.

Naai-matres
De naai-matres oefende haar vak uit in een winkel. Ze had particuliere leerlingen, maar ook meisjes die haar door de diaconie gezonden werden. Ook oefende ze haar beroep uit in een weeshuis.

Naaimoeder
De naaimoeder gaf les in het naaien (van linnen) in een wees- of spinhuis.

Naaldenkoopman (naaldenkramer)
Koopman c.q. kramer in allerhande soorten naalden.

Naaldenmaker
Een specialisme was de stalen zeilnaaldenmakerij.

Nachtbidder
Nachtbidder is geen beroep maar een naam voor 'sterke bedelaars' die 's nachts om aalmoezen komen vragen.

Nachtblaser (-bleser), nachtwaker, nachttrompetter of nachthoornblazer
Degene die 's nachts de wacht houdt en op zijn trompet of hoorn blaast bij onraad.

Nachtroeper (nagtroeper)
Nachtwacht, ook klapwaker of ratelwacht genoemd.

Nachtwerker
Iemand die nachtwerk verricht, maar in de betekenis van stilleveger. Op plaatsen waas faecalien op grachten konden worden geloosd werden putten of kuilen geplaatst. Deze putten werden van tijd tot tijd geruimd door de nachtwerkers.

Nappendraaier
Draaier van houten drinknappen en schalen.

Nastelingmaker
Vervaardigde nestels of nestelingen voor schoeisle. Hiermee werden de schoenen vastgemaakt.

Negotiant
Handelaar.

Nestelmaker (nestelmakere, nestelmaecker)
Vervaardigers van nestels. Een nestel is een koord, veter, riem of rijgsnoer waarvan het einde gesloten wordt door een malie, een klein kapje (o.a. van koper) zodat het gemakkelijk door een opening kon worden gehaald. Er waren zeer eenvoudige nestels, maar ook gecompliceerde, bijv. op uniformen en livreien.

Nestelkoetsier, nestellakei
Koetsier, resp. lakei in dienst van het koninklijk hof, die nestels hebben als onderscheidingsteken.

Nettenboetster, nettenbreier, nettenmaker
In de visserij op de binnenwateren zorgden de vissers veelal zelf voor de aanmaak en het onderhoud van hun netten. De wintermaanden en de zomeravonden werden daaraan besteed. Werden de vissers te oud voor hun gewone werk, dan was hun vaardigheid in het nettenbreien nog het enige middel om wat bij te verdienen. De netten voor de zeevisserij waren te groot om in huis gemaakt of hersteld te worden. Het breien en boeten van deze grote netten vond fabrieksmatig plaats. Het repareren van netten, het boeten, was vooral werk voor vrouwen en meisjes. Doorgaans gebeurde dit in de openlucht.

Nettentaander
Verver van netten met taan, afkomstig van de taanboom.

Noodslachter
Slachter van dieren die door een ongeval ernstig zijn getroffen of gedood of die door ziekte in onmiddelijk dreigend levensgevaar verkeerden.

Notaris (notarijs, notarius)
Benaming van een ambtenaar wiens praktijk behoorde tot het geestelijke rechtsgebied. Later ook ambtschrijvers wier akten bijzondere kracht hadden, door het wereldlijk gezag aangesteld.

O

Oculist
De 'ogendokter' behandelde onder meer staar.

Olderman
Oude benaming van verschillende overheidspersonen in de Friese en Saksische landstreken, hetzij rechters, vertegenwoordigers van het volk in stadsbesturen of hoofden van gilden en ambachten.

Olieman
Venter in petroleum. Een olieman was ook iemand aan boord van schepen of iemand in de bier- en zuivelfabricage. Hij was belast met het onderhoud van de machinerie.

Oliemolenaar
Zie olieslager.

Olieslager
Bereider van olie. In de oliemolens werd met behulp van zware stampers olie uit oliehoudende zaden (zoals kool-, hennep- en lijnzaad) geperst. De gewonnen olie diende onder andere voor verlichting, de consumptie en de fabricage van verf. Van de overblijfselen werden veekoeken gemaakt.

Omlo(o)per
Venter, onder andere met kooien en muizenvallen. Een omloper was ook iemand die werkzaam was in een sajetfabriek.

Omroeper (-ster)
Ook wel roeper. De dorps- of stadsomroeper was door de overheid aangesteld om zaken die ter kennis van de bevolking gevracht moesten worden, in het openbaar op sttraat om te roepen. Vroeger ook heraut der poorterij, die met enige slagen op een bekken de aandacht van de poorters vroeg. Naast het omroepen werden ook andere werkzaamheden verricht. Zo was de omroeper in sommige plaatsen ook visafslager (stokman), orgeltreder of doodgraver.

Onderkoopman
Rang bij de V.O.C.

Onderman
Een onderman kon een functionaris bij de gilden zijn. Een onderman was ook iemand die werkzaam was in de meekrapstoof. Hij behoorde met een droger (d.i. de bedrijfsleiding), de stamper en de drijver, tesamen wel als de gewrochten aangeduid, tot devaste krachten in de meestoof. Men begon als (losse) arbeider, werd dan tweede medewerker of onderman, vervolgens kon men eerste medewerker, dan stamper en uiteindelijk droger worden.

Opdoener
Losse werkkracht, werkzaam in de meekrapstoof.

Opdoenster
Vrouw die de was doet.

Opperknecht
In de landbouw de eerste knecht of meesterknecht. Ook opperknecht van de metselaars.

Opperman
Eertijds operman, ook wel upperman: de werkman die voor de metselaar de materialen aandraagt. Vroeger ook de handlanger van de (dak-)dekker.

Opperkoopman
Rang bij de V.O.C.

Ornamentenmaker
Vervaardiger van ornamenten, decoratieve versieringen aangebracht door schildersbeeldhouwers en ornamentmakers.

Oudkleerkoper (oude-kleerenkoper)
Koopman in oude kleederen, iemand die oud goed herstelt en verkoopt.

Overwegwachter
Belast met het openen en sluiten van de spoorbomen bij bewaakte overwegen toen die nog niet geautomatiseerd waren.

P

Paalmeester
Ook wel pael- of boommeester.
1. In Holland was de paalmeester de persoon die gerechtigd was het paalgeld van de schepen te innen.
2. In Brabant was de paalmeester erfafscheider, ambtenaar die belast was met het vaststellen van de grenzen tussen eigendommen.
3. Opzichter over het paalwerk.


Pachters van den haardasch of straatvuilnis
Zij kregen het recht de haardas en/of het straatvuil in te zamelen waarna het door hen werd verkocht.

Pakker
1. Degene die op een papiermolen de verse vellen aanpakte. Op de vroegere papiermolens vond men twee pakkers: de boven- en onderpakker.
2. Werkzaam in een pakkerij,klanderij, glanzerij (textielbehandeling).
3. Inpakker van koopmansgoederen.


Paklo(o)per
Manufacturier, die met een pak textiel van deur tot deur ventte.

Palfrenier
Gerechtelijke beslaglegger, pandnemer.

Pander
Degene die het beheer had over een pand- of verkooplokaal.

Panneboeter(e)
Ketellapper, maker en reparateur van pannen en ketels.

Panneman, pannemeester
Eigenaar van de zoutziederij, zoutzieder.

Peilmolenaar
Molenaar die een peilmolen bedient. De peilmolenaar bewaakt de stand van het boezemwater en geeft de andere molenaars door (seinen) met het malen te beginnen of er mee op te houden.

Pekjongen (pikjongen)
Leerling (leergast) op een scheepstimmerwerf, belast met het bereiden van pek pluis- en kalfaatwerk. Kalfaat of kalefateren is het dichtstoppen van reten, naden, spleten en voegen tussen de planken van de buitenhuid of van het dek van schepen. Dit dichtstoppen ging met behulp van een kalfaat hamer en -ijzer, waarna er kokend pik op werd gegoten totdat de naden dicht waren.

Pel(le)tier (peltenier)
Pelsmaker of bontwerker. Geleerden, kooplui, overheidspersonen en edellieden droegen niet alleen op straat maar ook in huis en in de vergaderzaal met bont gevoerde opperkleden. Ook binnenshuis was de temperatuur ondanks de brandende vuren niet behagelijk.

Pel(le)wever
Wever van pellen oftewel pellendoek. Onder pellendoek verstind men tafellakens, servetten, handdwalen en handdoeken.

Pelser
Ook pelterijbereider of pelterijwerker. Zie bontwerker.

Penne(n)bereider(sknecht)
De ennenbereider maakte uit de schachten of slagveren van bepaalde vogels penneschachten, die geschikt waren om er schrijfpennen van te maken. Men gebruikte schachten of slagveren van verschillende soorten vogels: struisvogels, kalkoenen, eenden, raven, zwanen en vooral ganzen. De pennenbereidersknecht werkte bij de pennenbereider.

Penningwarier
Iemand die in het klein verkoopt, winkelier.

Pennist
Iemand die de pen hanteert, zoals een klerk, schrijver. In het bijzonder als benaming voor klerken in dienst van de O.I. Compagnie van "den pen".

Pensman
Ook pensverkopen (-verkoopster), pensvrouw, penswijf en beulingwijf. Iemand die pens, al dan niet gevuld, toebereidt en verkoopt.

Peperkoekbakker en peperkoekverkoper (-verkoopster)
Bakker en verkoper van peperkoeken. Deze waren bereid uit meel, honing, suiker of stroop waardoor peper werd gedaan.

Perkamentmaker
Vervaardiger van perkament. Perkament werd vervaardigt uit ongelooide, met kalfsmelk behandelde lams-, schapen-, kalfs-, ezels- of geitenhuiden, welke aan beide zijden afgeschaafd en gepolijst waren met o.a. puimsteen.

Persdoekreinigster
Persdoek was een geweven stof vervaardigd uit sterke jute of wollen grondstof, die gebruikt werd bij de olieslagerij, beetwortelsuikerfabrieken en andere industrieŽn. Na gebruikt werden deze doeken op gezette tijden gereinigd door de persdoekreinigster.

Persenmaker
Vervaardiger van persen.

Pestmeester
De pestmeester werd belast met het bezoeken van degenen die ziek waren van de pest of een besmettelijke ziekte hadden en in het gasthuis of het pesthuis lagen en hen te assisteren.

Petielbakker
Zie majolicabakker.

Pettenboorder
Het woord pet heeft uiteenlopende betekenissen. Zo kent men het woord pet in de zin van put, bijv. veenput, ontstaan door het weggraven van veen, maar ook als waterput, soms gegraven maar ook geboord met een petboor. De petboorder is de arbeider die petten / pitten boort. Daarnaast ken men het woord pet als benaming voor hoofddeksel. Zie daarvoor pettenmaker.

Pijpenmaker
Maker van orgelpijpen. De orglepijpen werden met de hand gemaakt uit platen van een tin/lood alliage. Deze platen werden gegoten op een houten lattentafel die met linnen was bespannen. Daarna werden ze op dikte geschaafd. Nadat de pijpenmaker het corpus en de voet van elke pijp van een register had uitgesneden, werden de onderdelen gevormd en gesoldeerd. Na het ronderen waren de onderdelen eerst zuiver rond en werd de zogenaamde kern op de voet gesoldeerd. Tenslotte werden voet en corpus aaneen gesoldeerd en werden de zijbaarden aabgezet. Voor de tongwerken werden kelen geslagen en gevlakt. De tongen werden uit speciaal messingplaat gesneden. De nog niet sprekende pijpen werden door de intonateur op de intonatielade (een open orgel) geplaatst, waar hij volgens zijn ervaring een eerste klank in de pijpen aanbracht. Tenslotte werd de pijp op lengte gemaakt. Dit laatste noemt men stemmen.

Pikster
Sorteerster van koffiebonen. Zie koffiepikster.

Pillendraaien (-maker, -roller)
Degene die in de apotheek de pillen vervaardigde.

Pinker
Waarschijnlijk een schipper op een pink.

Pinsor
Knecht in een stampkot (olieslagerij) of meestoof.

Pisbeziener, piskijker
Aan de hand van het onderzoek van urine werden diagnoses betreffende iemands kwaal gesteld. Dit gebeurde zowel door de toenmalige artsen als door kwakzalvers. Het flesje met urine werd o.a. gebruikt bij zwangerschapstests. Maar die methode was medio de zeventiende eeuw al achterhaald. Het piskijken gold derhalve later als teken van kwakzalverij.

Piskruier
Werkzaam bij de lakenindustrie voor het vervoeren van urine ten behoeve van het vollen.

Pistolier (pistolettier)
Ruiter, bewapend met een pistool.

Pistoolmaker
Aanvnkelijk werden vuurwapens in hun geheel grotendeels in thuiswerk met de hand vervaardigd door de geweermakers. Naarmate het aantal benodigde wapens groeide en qua constructie gecompliceerder werden, gingen de gevestigde geweermakers er meer en meer toe over werk uit te besteden, vooral als het grotere militaire orders betrof. Naast de geweermaker werkten aan de totstandkoming van een vuurwapen mee: slotenmakers, loopsmeden, lademakers, kopergieters en zilversmeden. Pas omstreeks het midden van de negentiende eeuw maakten de technische ontwikkelingen het mogelijk een groot gedeelte van het vuurwapen met behulp van machines te vervaardigen.

Plaatdrukker
Drukker van gegraveerde of geŽtste koperen platen. De ingeinkte drukklare plaat werd op een harde ondergrond gelegd, daarop het iets vochtig gemaakte te bedrukken papier en daarop een stuk vilt. Het geheel werd dan tussen rollen onder grote druk door de pers gedraaid, waarna het vilt en het bedrukte papier voorzichtig werden verwijderd. De afdruk werd dan te drogen gehangen, waarna aan het drukken van de volgende afdruk kon worden begonnen.

Plaatslijper
In het begin van de offsetdruk maakte men gebruik van zinken platen als beelddrager. Deze platen moest men zelf prepareren (zie kopiÔst). Het geschikt maken van deze zinken platen om de gevoelige laag er op aan te kunnen brengen was de taak van de plaatslijper, die nieuwe of gebruikte zinkplaten machinaal sleep en greinde (van enige ruwing voorzag). Verder moest hij met zuur de platen vetvrij maken.

Plaetsnijder (plaatsnijder)
Het graveren van af te drukken afbeeldingen en teksten o.a. in koperen platen. De plaatsnijder kon rechtstreeks afbeeldingen in het koper graveren, maar ook indirect: door de plaat te bedekken met een voor zuren ondoordringbare laag, waarop hij in en net door die laag de te vervaardigen voorstelling maakte. De plaat werd dan in een etsbad (zuur) gedompeld, waarna het zuur de opengewerkte afbeelding in het koper uitbeet. Daarna werd de plaat schoongemaakt, een proefdruk vervaardigd (eerste statie), waarna het proces herhaald werd tot de afbeelding aan de verwachting voldeed en klaar was voor definitieve druk.

Platdraaier (-werker)
Zie aardedraaier en platwerker.

Plateelbakker
De plateelbakker vervaardigde o.a. platelen (platte schotels of schalen) van aardewerk.

Plateelschilder
Zij markeerden op schotels eerst de rode banden met een profileerwiel. Omdat massaproductie nodig was werden decoraties zelden uit de vrije hand getekend. Men volgde een patroon dat via een pons werd aangebracht. Om een pons te maken werd eerst een tekening gemaakt op papier of karton, dat langs de belangrijkste lijnen werd doorgeprikt. Daarna werd dat geperforeerde papier (de pons dus) steeds weer opnieuw op elk te beschilderen voorwerp gelegd. Met een spons (op poederzakje) werd houtskoolpoeder door de gaatjes overgebracht op het voorwerp. Daarna konden de schilders met hun penseel die stippellijnen volgen. In de oven bleef er door de hoge temperatuur niets over van het houtskool.

Platijnmakere
Vervaardiger van een soort sandalen, muilen.

Platstrijkster
Vrouw, werkzaam in een wasserij, die het gewone platte goed streek.

Platijnmaker
Platijnen (ook wel patijnen of trippen genoemd) waren een soort slippers met een houten zool. Ze werden met een riem over de wreef bevestigd. Ze hadden onder de hiel en de voorvoet een verdikking.

Platwerker
Zowel de persoon die in een aardewerkfabriek plat werk als schotels en borden maakte als de bandwever werden platwerkers genoemd.

Platzetter
Handzetter in een drukkerij. Met de hand pakte de handzetter de letters uit de lade van een zetbok en plaatste deze in een zethaak na de juiste regelbreedte te hebben bepaald. Deze zethaak diende om de letters in de juiste volgorde op de juiste maat te zetten. Merkwaardig is dat dat kopstaand gebeurde, d.w.z. dat de zetter de regels op de kop ziet. Als een regel gereed was werd deze in een galei gezet. Een galei is een platte houten of zinken bak met lage randen. Het omvallen van de letters werd voorkomen door stukken zetlood tegen het zetsel te plaatsen. Was het zetsel klaar dan werd het met een touwtje omwonden en kon er een proef gemaakt worden en daarna de definitieve druk.

Pleisteraar (pleistergieter)
De pleisteraar of pleistergieter goot figuren in gips. Ook de maker van vormen voor voorwerpen, die niet gegoten konden worden, werden wel pleisteraar genoemd.

Plesser (pletser)
Degene die in een pletterij een pletmolen bedient, In een plet- of drukmolen werd metaal als zilver en goud geplet of buskruit gemalen. Ook iemand die ingewanden van dieren verwijderde werd een plesser of pletser genoemd.

Plooister
Dit was de vrouw die genaaide en/of gestreken plooien in kledingstukken als kragen en mutsen of gordijnen aanbracht.

Plo(o)ter (ook vagte- of velle(n)ploter)
Zie blooter. Met als variaties: plotersbaas, ploter, plotergast, ploterknecht. Zij waren werkzaam in de ploterij, waar men de huiden van geslachte schapen van de vacht ontdeed.

Pluimasier (plumassier)
Ook verderman. Vervaardiger en verkoper van pluimage: versiering van veren voor o.a. hoeden en helmen.

Pluimgraaf
Oorspronkelijk een hoge ambtelijke functie: degene die het toezicht hield op het gevogelte van een vorst of ander hooggeplaatst persoon. Later werd de term ook gebruikt voor minder voorname oppassers van het gevogelte op een buitenplaats.

Pluimenmaker
Vervaardiger van allerlei producten van vogelveren.

Poestertreder (puistertreder)
Opgeltrapper. Benaming van degene die tijdens het bespelen van het orgel door de organist de blaasbalgen, die voor de noodzakelijke luchtvoorziening zorgden, aantrapte.

Pok(ken)meester
Veelal kwakzalver die zich bezighield met de behandeling van geslachtsziekten.

Polderwerker
Grondwerker, werkzaam bij de aanleg en het onderhoud van dijken en polders.

Pompenma(a)ker
Vervaardiger van waterpompen. De waterpomp diende om water of andere vloeistoffen omhoog of naar elders te verplaatsen. Oorspronkelijk werden de pompen uit ronde of vierkante houten balken vervaardigd door er in het midden een rond gat in te boren. Een eindje onder de bovenkant werd een dwarsgat met een gootje vervaardigd, waar het water c,q, de vloeistof uit moest komen. In dat gat moest een houten prop met een naar boven opengaande (leren) klep komen. Deze kon met de pomparm heen en weer worden bewogen om het water uit een wel of waterpomp op te pompen. Pompen dienden ook om lekwater uit de schepen te verwijderen. Later werden de houten pompen door de metalen verdrongen. Deze werden oorspronkelijk door loodgieters vervaardigd. Later werd het fabriekswerk.

Pompier
De pompier was een kleermakersknecht of zelfstandige die pompwerk verrichtte: uitvoeren van kleine reparaties en het passend maken van confectie. Ook de brandweerman werd wel pompier genoemd.

Pompslager
De pompslager was degene die de door de pompenmaker vervaardigde pompen plaatste.

Pondegoedkoper (-koopster) of pondegoedraper (-raapster)
Deze vergaarde en verhandelde vodden en ander afvalmateriaal dat per gewicht werd verkocht.

Pontvoerder
Veerman. Iemand die met een (veer-)pont mensen, dieren en goederen overvaart van de ene naar de andere zijde van een water.

Poortier (poortierster)
De poortiers zorgden voor het openen en sluiten van de stadspoorten. Bij ordonnantie werd bepaald op welke tijden de poorten geopend en gesloten moesten worden. De poortiers moesten een eed afleggen met betrekking tot hun taken, o.a. omdat zij poortgeld moesten innen van degenen die na sluitingstijd alsnog naar binnen wilden. Zij mochten daarbij geen fooien aannemen van overtreders. Ook moesten ze er op letten dat de poorten niet werden bevuild. Aan de poortier waren wachten (soldaten) toegevoegd om zo nodig bijstand te verlenen.

Porder (porster)
In de tijd dat er nog geen wekkers waren en men vroeg aan de slag moest zorgden de porders en porsters ervoor dat men tijdig gewekt werd. Een porder bediende een aantal klanten door met zijn stok op de betreffende huisdeur te kloppen of tegen het raam te tikken. Het porren was in zekere zin een vertrouwenskwestie. Men moest er van op aan kunnen dat de porder zelf op tijd wakker was.

Porseleinbakker
Vervaardiger van op porselijn gelijkend aardewerk (zie plateelpakker)

Postiljon
Eigenlijk postbode of koerier die de post overbrengt. Hij deed dat te voet (lopende of voetbode) of per paard. Later ook met een (post)wagen.

Postkruier
Kruier van slijk, modder.

Postmeester
Oorspronkelijk de naam voor de door de stedelijke overheid aangestelde beheerder van een postkantoor. Meestal beheerde de stedelijke magistraat de posterijen niet zelf, maar droeg die over op de postmeester.

Potgieter
Een potgieter was een tinnegieter.

Potte(n)bakker, pottenmaker
Typische pottenbakkerscentra waren Bergen op Zoom, Gouda, Tegelen en Workum, maar ook in andere plaatsen waren pottenbakkers actief om aan de vraag naar gewoon gebruiksaardewerk te voldoen. Hieronder verstond men het gewone keukengerief en het daarmee overeenkomende vaatwerk alsmede aarden ovens en ovenkachels.

Pottendraaier
Degene die potten op een draaischijf vervaardigt.

Pottendrager
Venter van grof aardewerk.

Potvaarder
Potschipper, schipper op een klein vaartuig, die in aardewerk handelde en dat met zijn schip vervoerde.

Praamschuiver (praamschouwer)
Schipper op een praam. De praam werd voortbewogen door het gebruik van een vaarboom. Hiermee kon de schipper de praam vooruit bomen, maar ook kon hij de vaarboom klem zetten in zijn praam en deze zo vooruit duwen.

Praktisijn (prakticijn, practizien, practicien)
De algemene betekenis is: hij die zich bezig houdt met de praktijk van enige kunst, wetenschap, vak of handwerk. Doorgaans: al dan niet gegradueerd persoon die zich besighoudt met de rechtspraktijk en vandaar een algemene naam voor verschillende daarmee verband houdende beroepen als advocaten, procureurs, notarissen of ambtenaren, verbonden aan rechtbanken of gerechtshoven. Later was het iemand die rechtskundige bijstand verleende zonder daartoe de wettelijke bevoegdheden te hebben. Ook de deurwaarder werd wel praktisijn genoemd.

Preekstoelenmaker
De preekstoelenmaker was gespecialiseerd in het vervaardigen van preekstoelen en behoorde tot de St. Jorisgilde. De preekstoelen waren vaak meesterstukjes met o.a. fraai houtsnijwerk. Hij die het beroep uitoefende zette de preekstoel in zijn gevel.

Prentdrukker
Drukker, gespecialiseerd in het drukken van prenten van allerlei aard, bijv. centsprenten, prenten voor bruiloften, zinneprenten, afdrukken van houtgravures en -snedes.

Prentenkleurder
Degene die de gedrukte prenten inkleurde.

Prentensnijder (-snijdster)
Sneed de gedrukte en ingekleurde prenten uit.

Prenter (printer)
Met dit beroep werden twee verschillende beroepen aangeduid. Ten eerste werd hier de drukker, boekdrukker bedoeld. Ten tweede de beambte van overheidswege bij de weverij, die belast was met het aanbrengen van waarmerken op de zich nog op het weefgetouw bevindende stukken (laken, grein, karsaai, etc.) en met het controleren van verschillende werktuigen.

Prentmaker
Ook dit beroep komt voor in verschillende betekenissen. Ten eerste: de vervaardiger van prenten op papier (zie prentdrukker).Ten tweede: vervaardiger van houtprenten, o.a. houten koekvormen en houtsneden.

Presmeester, prestmeester
In oorlogstijd iemand die goederen vordert en personen dwingt dienst te nemen bij leger of vloot. Een presmeester was ook een door de stad aangesteld persoon die toezicht hield en ervoor zorgde dat de stal voor de scheepsjagerspaarden schoon bleef (ook stalhouder genoemd).

Preter (praeter)
Opzichter voor bossen en landerijen. Sinds het einde van de zeventiende eeuw blijkbaar een verouderd woord. Andere term: vorster.

Priemvlechter (vitter)
Mogelijk vervaardiger van gevitte wanden, d.w.z. wanden van gevlochten tenen, die met leem bestreken werden.

Priemwerkster
Een priem is een dun steekwapen of werktuig. Zo werd eertijds bij iemand die zich schuldig had gemaakt aan ketterij of lastertaal de tong met een priem doorstoken. Als werktuig werd het gebruikt om gaatjes voor te prikken in stoffen zoals leer, die moeilijk met de naald te doorboren waren. Als werktuigen kende men priemen in velerlei uitvoeringen.

Prikster
Werkzaam in een tricotfabriek.

Principaelvinder
Belangrijkste rechter, de hoofdrechter.

Procurator (procurateur)
Gekozen en gemachtigd beheerder en bestuurder van de stoffelijke aangelegenheden (huishouding, geldmiddelen, etc.) van een geestelijke stichting, in het bijzonder van een klooster.

Procureur fiscaal
Aanklager.

Procureur postulant
Advocaat aan de Nedergerechten.

Proefmeester
Gildemeester, belast met het examineren van gezellen.

Prosser
In verschillende opvattingen, die aansluiten bij het begrip morsebel, knoeier, gebruikt. O.a. iemand (bijv. een dokter) die graag snijdt, handelaar in oude paarden, paardenviller.

Provisor
Plaatsvervangend bisschop. Beheerder van de stoffelijke zaken van een instelling en handhaver van de tucht aldaar (bijv. van een klooster of armenhuis).

Provoost (prevoost)
In het algemeen bestuurder, beheerder. Ook de naam van bepaalde ambtenaren wier rang het meest overeenkwam met die van een ambtman of baljuw. Verder gerechtsdienaar. Ook was het de benaming van bepaalde militaire ambtenaren, o.a. van bevelhebbers van een legerafdeling of ambtenaar die de militaire tucht in een legerplaats of kazerne uitoefende. Ook was hij bij alle strafzaken de tussenpersoon tussen de schout, die het recht uitoefende en het vonnis uitsprak, en de scherprechter die het ten uitvoer bracht.

Provoostgeweldige(r)
Ambtsdrager bij de land- of zeemacht.

Pruikenmaker (paruykmaker)
Maakt en verkoopt pruiken.

Pruimtabakmaker en -handelaar
Het fabriceren en verkopen van gesponnen, geperste en ongeperste pruimtabak.

Putbaas
Voorman, ploegbaas van een ploeg werkers of polderjongens, gewoonlijk in ploegen van 10 tot 12 man. Een aannemer van aarde- of grondwerken besteedde het werk in gedeelten uit aan dergelijke ploegen, die onder leiding stonden van de putbaas die alles regelde.

Put(ten)boorder
De putboorder boort putten, o.a. om pompen te slaan.

Putgraver
Graver van putten. In Zuid-Nederland ook doodgraver.

Putleeger, put(te)ruimer
Nachtwerker, die secreten (toiletten) leegt.

Putmeester
Het bestuur van putten of wijken was opgedragen aan twee of meer put- of wijkmeesters.

Put(jes)schepper
De put(jes)schepper leegt beer- of zinkputten.

Q

Quartiermeester
Wijkmeester, belast met het toezicht op de wijk (deel van een stad).

Questor
Oorspronkelijk in het oude Rome de rechters van instructie voor halsmisdaden. Op een gegeven ogenblik werden zij tevens belast met het beheer van de financiŽn. Toen hun rechterlijke bezigheden naar anderen overgingen, bleven zij het financieel beheer doen. Het waren zo Romeinse ambtenaren, zowel burgerlijk als militair. De questoren in burgerdienst inden de belastingen en andere staatsinkomsten. De questoren in militaire dienst moesten de oorlogsbuit verkopen, de soldij uitbetalen, voor de oorlogsbehoeften zorgen, etc. Later werd de term ook gebruikt voor penningmeester.

Quarantainebeambten
Zij waren werkzaam bij de quarantainedienst. Zij waren o.a. belast met het toezicht op de quarantainehouders. Omkoping van qaurantainebeambten schijnt niet zeldzaam te zijn geweest.

Quarantainedokter
Deze was belast met de zorg en behandeling van de zieken van in quarantaine liggende schepen. Hij werd ook wel quarantainegeneesheer genoemd.

Quarantaineloods
De loodsdienst op de quarantaineplaats. De quarantaineloods was tevens de opzichter van de quarantaineplaats.

Questeerder
Persoon, later vooral een geestelijke van de R.K. Kerk, die rondtrok met een reliquieŽnkas om daarmee aan de gelovigen voor geld aflaat van zonden of genezing van ziekte te brengen.

R

Raambewaarder (raembewaarder)
Deze controleerde het aantal weefgetouwen in een plaats.

Raamwachter
Wachter, bewaker op een raamveld. Op een dergelijk veld werden de ramen, die nodig waren voor de lakenindustrie, opgeslagen.

Raamzager
Een raamzaag is een grote zware zaag waarvan het blad in een horizontaal of verticaal raam gespannen is. Hij werd gebruikt door twee mannen en diende om boomstammen of balken tot planken te zagen. De onderstaande man was er het minst aan toe. Hij kreeg, vooral als de wind ongunstig was, het zaagsel in zijn gezicht. (zie ook kraanzager).

Rachelaar (raggelaar)
Rachels, smallere stroken hout van geringe dikte, latten dus, werden gebruikt om plafonds te betimmeren om er daarna het riet voor de bepleistering aan te brengen.

Racker (rakker)
Persoon die voor de politie of justitie het "vuile werk" opknapt, hetzij als helper van de schout of baljuw (en dan ook wel diefleider genoemd), hetzij als helper van de beul. De benaming zou zijn afgeleid van recker. Het waren oorspronkelijk beulsknechten, helpers van de beul bij het ondervragen van verdachten. Zij voerden de pijnigingen uit, zoals het rekken van de ledematen. Kennelijk waren het geen gewaardeerde figuren. Ook nu nog wordt het woord als scheldwoord gebruikt.

Raddraaier
Werkzaam op de lijnbanen. Hij hield het wiel in beweging waarmee men de touwen in elkaar draaide. Dit was veelal kinderarbeid. De term werd ook in ongunstige zin gebruikt: aanstichter van een beweging van verzet.

Rad(e)(n)maker
In het noorden en oosten van ons land gebruikte term voor de wielmaker, degene die karrewielen vervaardigde.

Raswercker
Wever van een soort laken dat ras genoemd werd, mogelijk ontleend aan de Franse plaats Arras, waar dat weefsel zou zijn uitgevonden.

Ratelaar, ratelwacht
Nachtwacht met een ratel.

Reder
In de textielindustrie was dit degene die de vervaardiging van geweven stoffen regelde. Eigenlijk de ondernemer. Tegenwoordig nog de ondernemer in de scheepvaart (binnenvaart, zeevaart, zeevisserij).

Reepafhouder
Is actief bij het uitzetten en binnenhalen van de netten. Onder andere achter de stoomlier nam een jongen, de afhouder, ingepalmde reepkabel in ontvangst en stuurde hem het open reepruim in, waar de reepschieter hem tot een reuzentros opcirkelde. Zowel de reepafhouder als de reepschieter zijn jongens.

Reepgast
Verbindingsman tussen de kraandrijver en de mannen werkzaam in de ruimen om aanwijzigingen te geven met betrekking tot het lossen en laden.

Reepmaker
Re(e)pemaker is een verouderde term voor touwslager. Onder andere werd de reep destijds gebruikt als meetsnoer. Ook vervaardiging van dik touw, dat ondere andere gebruikt werd om zware gewichten op te hijsen en voor touw waarmee de kerkklokken werden geluid. Verder is een reepmaker de vervaardiger van repen ten behoeve van de visserij. Bijvoorbeeld de kabel waarmee een aantal netten met het schip verbonden is. Verder noemde men een wisselend aantal netten aan een kabel een reep. Alle repen tesamen vormden een beug. Een reep is verder een vistuig bestaande uit een lange lijn waaraan korte dwarslijntjes zijn bevestigd, voorzien van haken. De dwarslijntjes noemt men ook wel sneuien. Ten derde is een reepmaker een vervaardiger van smalle cirkelvormig gebogen banden, oorspronkelijk van wilgen- of populierenrijshout als bevestigingsmiddel voor de duigen van een vat.

Reepmeester
De reepmeester was in functie bij het meten van lakens.

Reepschieter
In de zeevisserij ging de reepschieter het ruim in om de netten aan te geven. De jongste en de oudste matroos stonden aan de reling om de netten die overboord gingen aan de reep vast te maken en om op gelijke afstand van elkaar een blaasboei te bevestigen.

Reepvisser
Visser die met de reep viste op onder andere aal of bot.

Reetrekker (reedetrekker)
Ambtenaar belast met het aanwijzen van de rooilijn. Ook een metselaar of timmerman die aangesteld is om de afscheiding van naast elkaar staande gebouwen aan te wijzen.

Reeuwer
Iemand die lijken reinigt en voor de begrafenis gereedmaakt. Destijds in het bijzonder: iemand die belast was met de verzorging en eventuele teraardestelling van pestlijders. Als een huisgezin geheel uitstierf zou al het goed er van overgaan naar de reeuwer. Daarom gebeurde het wel dat dezen middelen gebruikten om de gehele familie te doen uitsterven.

Rekenaar
Administrateur, boekhouder.

Remmingwerker
Werkzaam bij het vervaardigen en onderhouden van remmingswerken. Een remming was een beschermingsmiddel van een kade of paalwerk bij een sluis en diende tot het geven van leiding aan vaartuigen bij de invaart of tot het meren van wachtende schepen om beschadiging te voorkomen.

Rentebesteller
Geldbode.

Repelaar(-ster)
Nadat het vlas geoogst en aan schoven gezet, gedroogd was, volgde het repelen op de repelbank. Daarbij werden de toppen van het vlas door de rekel (een soort kam met lange tanden) getrokken om de zaaddozen van de stengels te scheiden. Dit repelen is dus seizoenwerk. Het gerepelde vlas werd tot dunne rootschoven gebonden, die dan in water te roten werden gelegd.

Reydmaker
De reydmaker vervaardigt kammen voor een weefgetouw.

Riembeslager (ryembeslager)
Hij was de kunstenaar die de riemen of gordels, die toen een onmisbaar deel van de kleding uitmaakten, met koperen of ook wel met zilveren versiersels besloeg, waaronder de gespen van verschillende vorm en bewerking uitmuntten

Riemenmaker
Vervaardigde riemen.

Rietbinder
De rietbinder bindt het riet tot bossen. Dit is seizoenwerk.

Rietdekker
Het rietdekkersvak is een eeuwenoud ambacht dat in de loop van de tijd slechts weinig veranderingen heeft ondergaan. Een rietdekker steunt bij zijn werk op een rietdekkerstoel, die met behulp van scherpe kromgebogen haken in het dak wordt vastgezet. Als gereedschap dienen o.a. het zetje, de goot, het drijfbord, de naald en de gaffel. Een rieten dak is circa 25 cm. dik. Het riet wordt in lagen opgebracht. Eerst wordt een dunne laag riet over de panlatten gespreid, de spreilaag. De bossen riet worden dan naast elkaar gelegd met de dikste kant naar beneden. Met behulp van het drijfbord, ook wel dekplank genoemd, wordt het riet gelijk geklopt. De bevestiging van het dekriet gebeurt door middel van een dikke gegalvanisserde draad die met koperdraad op de panlatten wordt gebonden. Men onderscheidt daarbij verschillende methoden: de Hollandse, de Gelderse en de Fries-Groningse werkwijze. De dekker heeft hierbij de hulp nodig van een jongen die de draad van binnen terugsteekt, terwijl de rietdekker hem van buiten aantrekt. Deze manier van bevestigen werd vroeger veel bij de bekleding van molens toegepast, vandaar dat men deze steek de molensteek noemt. Bij de Gelderse methode maakt de rietdekker gebruik van een twijgijzer, dat lijkt op een in een driekwart cirkel gebogen paknaald, terwijl het aandrukken van de gaard tijdens het binden geschied met een hefboompje. Bij de Hollandse bindwijze wordt goot en naald gebruikt. De goot heeft enigszins de vorm van een lepelboor. De naald is aan de ene kant voorzien van een groot oog en aan de andere kant van een handvat. De draad wordt onder de panlat door in het oog van de naald gestoken. Langs de uitholling van de goot wordt de koperdraad naar binnen geschoven in het oog van de naald. Als deze teruggetrokken wordt komt het koperdraad mee. Met het zetje, een vorkachtig instrument, wordt de staaldraad aangetrokken en wordt het koperdraadje in elkaar gedraaid. Het riet wordt met de hand en een klopper gelijkelijk verdeeld. Als het dekken klaar is wordt het gehele dak nog met een klopper afgewerkt en geŽgaliseerd en de losse rietdeeltjes worden verwijderd.

Rietmaker
Iemand die de rieten van een weefkam maakt; iemand die weefkammen vervaardigt. (ook reydmaker)

Rietsnijder
Rietsnijder is een beroepsbezigheid in het winterseizoen. Tegenwoordig is het rietsnijden vooral gemechaniseerd, maar vroeger was het puur handwerk. De rietsnijder gebruikte als gereedschap de rietsnit of -oort, een soort korte zeis, waarmee het riet werd gesneden. Verder werden uitkammers gebruikt om het gesneden riet van allerleid rommel, zoals dood blad, te ontdoen. Voor transport diende een rietslee. Aan zijn voeten droeg de rietsnijder laarzenklompen, klompen met een leren schacht.

Rijenmakere
Vermoedelijk een vervaardiger van schaven.

Rijglijfmaker
Een rijglijf was een onderkledingstuk, veelal door vrouwen, maar ook wel door mannen gedragen. Het wasvervaardigd uit stevig doek en baleinen en van een rijgsluiting voorzien. Het was de voorloper van het corset.

Rijtuigbekleder
De rijtuigbekleder stoffeerde rijtuigen.

Rijtuigmaker
Vervaardiger van rijtuigen.

Ritser
Persoon die van overheidswege met een ritsijzer tonnen en vaten merkt en er de inhoudsmaat op aantekent.

Riviervisser
Zoetwatervis, afkomstig uit onze rivieren, is lange tijd deel van het menu van onze streken geweest. Velen langs de grote rivieren hebben als hoofd- of bijverdienste hun inkomen verworven via de riviervisserij.

Roedragher
Vredestichter. Hij droeg een roe (hoog rechtop), zodat iedereen kon zien dat hij de vredestichter was.

Roeier, roeijer
1. In het belastingwezen: De ambtenaar die vaten of andere vochtmaten roeit oftewel de inhoud daarvan peilt of meet.
2. In de binnenscheepvaart: Roeiers waren degenen, die (vroeger met behulp van een roeiboot) behulpzaam waren bij het aanleggen van schepen (bevestigen van kabels).


Roeper
Iemand die in het openbaar iets aan- of afkondigt of bekendmaakt. Ook iemand die van gemeentewege is aangesteld om zaken die ter kennis van het algemeen moeten worden gebracht in het openbaar uit- of omroept. Ook de persoon die op een openbare verkoping de goederen afroept en ze aan de meestbiedende toewijst.

Roerdrager
Dragers van een roer oftewel geweer. Zij werden ook arkebusiers, busschutters of musketiers genoemd.

Roerganger
De man die te roer gaat, zijn roergang waarneemt, de man die een schip stuurt.

Roermaker (roeremaker)
Maker van roeren, geweren.

Roerruiter
Militair te paard. Zij werden ook karabiniers of bandelierruiters genoemd. Zij droegen rechts een korter vuurwapen dan de musketiers.

Roerschutter
Militairen die een geweer hadden.

Roffelaar
Werkman, timmerman, die met de roffel, de roffelschaaf, werkte om daarmee het ruwste van de planken af te schaven. Iemand die zijn werk niet goed deed, een knoeier, werd ook wel roffelaar genoemd.

Rofster
Koppelaarster of hoerenmadam, bordeelhoudster.

Roggebakker
Bakker van roggebrood.

Roggemolenaar, rogmolenaar
Molenaar die rogge maalde.

Rogmeter
Belastingmeter op koren, door de stad aangesteld.

Rokkenwever
Lange tijd verdiende boerengezinnen thuis een extra inkomen met het weven van linnen en later katoenen stoffen voor textielhandelaren. Voor de lokale markt werden ook handmatig rokken geweven. Na de jaren dertig van de twintigste eeuw verdween de streekdracht. Daardoor verdween de vraag naar deze rokken en kwam er een einde aan de vervaardiging van dit product.

Rolbidder
Zij maakten deel uit van een groep bedienaars die door de gemeente was aangesteld en die volgens een rooster waren aangewezen om een eventuele begrafenis aan te nemen en daarbij als eerste man te fungeren.Zij waren gekleed met steek, korte broek en lage schoenen met gespen.

Ronddraaier
Zie aardedraaier.

Rondleurder
Rondreizend kramer of koopman, als regel met kleine draagbare waren als garen, lint, stoffen, naalden, spelden, soms zelfs brillen.

Ronselaar
In feite een handelaar in mensen(-arbeid), vooral ten behoeve van de Ver. Oost-Indische Compagnie, een vroege vorm van uitzendbureau. De Compagnie had altijd moeite om voldoende zeelui te werven voor de scheepvaart op IndiŽ, zodat men gebruik maakte van ronselaars. Deze wierven mannen, vaak bijv. deserteurs uit een van de Duitse legers, aan de grenzen van de Republiek, of andere ook uit onze provincies afkomstige gelukszoekers. Dit gebeurde vaak onder valse voorwendsels en het royaal verschaffen van drank. Had het slachtoffer getekend dan werd hij met zijn medeslachtoffers naar Amsterdam gebracht en opgesloten in speciale huizen tot ze tegen vergoeding aan de V.O.C. werden overgedaan , waar ze als varensgezel of zeesoldaat dienst moesten doen.

Roodgieter
Iemand die voorwerpen goot van rood koper.

Roodverver (roodverwer)
De roodververs leveren de licht- en donkerrood getinte lakens.

Roodwerker
Zie greinwerker

Rooimeester (landmeter, erfscheider)
Ambtenaar die belast is met het aanwijzen van de rooilijn van gebouwen en straten of van wegen, enz. met het toezicht op de bouw van nieuwe en de toestand van oude huizen, enz. Bouwopzichter, ook opzichter van wegen en erfscheider.

Roomeester
Een meester (geneesheer) die bij pestziekte vanwege de stad werd aangesteld om diegenen, welke aan deze ziekte leden, te behande4len. Hij kreeg een vrije woning en jaargeld.

Rosmolenaar
Molenaar van een molen die door een of meerdere paarden (ezels, soms ook andere trekdieren) in beweging wordt gebracht.

Rotmeester (onderrotmeester)
Buurt- of wijkmeester.

Rottenkruitsman
Persoon die zijn werk maakt van het doden van ratten met behulp van rattenkruid.

Rottenman, rottenvanger
Rattenvanger die met uiteenlopende middelen (gof, vallen en klemmen) ratten ving.

Rottingwerker
Vervaardigde wandelstokken, veelal van rotting, stengels afkomstig van de rotanplant, maar ook van andere materialen, zoals Spaans riet.

Rouwbeklager
Persoon die rouw beklaagt, condoleert; persoon ide rouwklachten aanheft.

Rouwgoedverhuurder
Verhuurder van rouwkleding.

Rouwmantelverhuurder
Verhuurder van rouwmantels.

Rouwstalhouder, rouwkoetsenverhuurder
Stalhouder die lijkwagens en rouwkoetsen verhuurde.

Rouwsteller
Begrafenisondernemer.

Rouwwinkelier
Winkelier in rouwkledij.

Ruimer
1. Werkman die privaten, beerputten, kolken, riolen, enz. schoonmaakt, ruimt.
2. Werkman die met een hakmes het op stam staande hout ruimt, snoeit.


Runmolenaar
Molenaar die eikeschors fijnmaalde ten behoeve van de leerlooierij.

Ryembeslager
Hij was de kunsternaar die de riemen of gordels, die toen een onmisbaar onderdeel van de kleding uitmaakten, met koperen of ook wel met zilveren versierselen besloeg, waaronder de gespen van verschillende vorm en bewerking uitmuntten.

S

Saaidrapier, saaireder
Ondernemer die de grondstof, grove wol inkocht en die deze tegen stukloon door thuiswerkers liet verwerken: wassen, spinnen, kammen, weven, enz. en die het eindprodukt verkocht.

Saaiwerker
Thuiswerker in de saaiindustrie.

Saalmaker
Zie zadelmaker.

Sajetkammer
De na het scheren gesorteerde en gereinigde wol werd eerst door de sajetkammer gekamd. Oorspronkelijk gebeurde dit met de hand. De kammen bestonden uit een houten onderlade en een kam van hout met daarin ijzeren tanden. Deze tanden werden in een kampot, een soort kachel, waarom een zestal kammers zaten, sterk verwarmd. De kammer nam dan een pluk met olie besprenkelde wol (om de wol soepeler te maken) en kamde de haren in een richting. Als de pluk wol gekamd is, maakt hij daarvan een trek, krul of vlij, anderhalve tot ťťn en driekwart el lang en 15 duim breed. Voor sajet werden, anders dan voor kamgarens, korte wolvezels niet verwijderd. Later gebeurde dit kammen op kaard- of krasmachines.Men kende enkele, dubbele en driedubbele kaardmachines. Hier ging men uit van gewassen wol. De trek of vlij die machinaal tot stand kwam was uiteraard veel langer dan de met de hand vervaardigde. Deze trek of vlij moest eerst nog verder uitgerekt en onderling evenwijdig gelegd worden. Er moesten uit de trekken zeer lange gelijkvormige banden worden gevormd en door trapsgewijze uitrekking verfijnd en tenslotte ook flauw ineengedraaid. Zodoende werd de wol in voorspinsel veranderd.

Sajetnopster
Enkele knopen en onzuiverheden worden later door afzonderlijke werksters verwijderd, die daarbij de trek of vlij tegen het daglicht hielden en controleerden en de ongerechtigheden met de lippen wegnamen.

Sajetspoeler of sajetwasser
Het was niet ongewoon de reeds in banden verwarmde wol met zeepwater te wassen teneinde de voor het kammen ingebrachte olie te verwijderen. Ook gebeurde dit wassen wel na het spinnen. Dit wassen was de taak van de sajetspoeler of -wasser.

Sajet(garen)spinner
De al dan niet gereinigde vlij of trek werd door de sajet(garen)spinners tot draden gesponnen.

Sajettwijnder (-tweenster)
De gesponnen draden werden vervolgens door de sajettwijnder (-tweender) of sajettwijnster (-tweenster) in elkaar gedraaid tot garen van de gewenste dikte.

Sajetwinder (-windster)
De sajetwinder (-windster) was degene die zorgde voor de verwerking van het getwijnde garen tot grote klossen. Als regel vond hierna het verven plaats, oorspornkelijk in enkele, later in meer kleuren.

Sajetoverjager (-jaagster)
De sajetoverjager (-jaagster) zorgde dat de grote bossen sajet werden omgezet in knotten van 50 tot 100 gram, hanteerbaar om te breien.

Schaatsenmaker
Het maken van de schaatshouten bleef heel lang handwerk. Voor deze ambachtelijke productie werd het leerwerk (hakleer, teenleer en veter) geleverd door de schoen- of zadelmaker. Schaatsen werden dus vrijwel nooit in hun geheel door ťťn persoon gemaakt.

Schachtenmaker
De schachtenmaker vervaardigde voornamelijk het bovenwerk van laarzen.

Schalootsemaker (-maecker)
De vervaardigde schalootsen. Dit was een soort schoeisel, bestaande uit een houten zool met een leren bovenstuk. Schalootse was tevens een soort schaats.

Scharenslijper, scharensliep
De scharenslijper verdiende vooral de kost met het slijpen van scharen en messen. Daarnaast sleep hij in voorkomende gevallen ook allerlei andere voorwerpen, zoals schaatsen in de winter.

Scheden- en bandenmaker (scheemaecker)
De scheden- en bandenmaker vervaardigde scheden voor allerlei steek- en slagwapens, als regel ook bandelieren, die men droeg om een zwaard of degen mee te kunnen dragen.

Scheepsjager
Schepen werden ten dele voortgetrokken met behulp van mankracht, waarbij die mankracht o.a. geleverd werd door vrouwen en kinderen. Het zogenaamde jagen van schepen gebeurde met behulp van paarden, vooral bereden door jongens (oorspronkelijk vanaf acht jaar). Ten opzicht van volwassen mannen hadfden deze jongens twee voordelen: zij waren lichter van gewicht, waardoor paarden minder werden belast en ze waren goedkoper. De schuit werd met een zekere snelheid getrokken, waarbij de paarden veelal in een sukkeldrafje liepen. De jaaglijn was ongeveer 70 meter lang en 8 milimeter dik. De lijn was kort geslagen zodat er veel rek in zat. Dit was van belang bij het op gang brengen van de schuit en voor het opvangen van eventuele schokken. De grote lengte diende ervoor om de schuit zo recht mogelijk achter het paard te houden. Waar een paard kleine bruggetjes moest passeren was de aan de waterkant grenzende leuning dusdanig geconstrueerd dat de zijkanten schuin afliepen, zodat de lijn niet zou blijven haken. Bij scherpe bochten waren rolpalen geplaatst waaraan verticaal een rol was bevestigd. Door de lijn buiten deze palen om te leiden werd de trekkracht zo veel mogelijk in de lengterichting van de schuit gehouden.

Scheepssjouwer
Arbeider belast met het lossen en laden van schepen.

Scheepssmid
Smid werkzaam in een smederij gericht op allerlei onderdelen die nodig waren op een schip.

Scheepssoldaat (ook zeesoldaat en later marinier)
Scheepssoldaten waren vanaf de oudheid tot in de zestiende en zeventiende eeuw vooral bedoeld voor het nabij- en het entergevecht op zee. Later werden zij (ook) als specialisten ingezet voor amfibische operaties. Begin 1600 bestond de bemanning van de schepen van 's lands vloot uit matrozen en soldaten van het leger. Als er voor schepen soldaten nodig waren lichtte men daartoe als regel uit het staande leger zoveel voetvolk als nodig was. Ook gebeurde het wel dat ze rechtstreeks door de admiraliteiten werden geworven, vooral onder voormalige soldaten van het leger. De strijd der zee stelde speciale eisen en men kon dan ook van deze landsoldaten niet verwachten dat zij zich snel aanpasten aan boord van een slingerend schip en optimaal van hun wapens gebruik konden maken. Hun taak was het onderhouden van geweervuur met een vijandelijk schip tijdens het zeegevecht. Het scheepsgeschut van die tijd kon niet snel en accuraat schieten. Hierdoor kwam het dat de schepen elkaar op pistoolafstand beschoten alvorens tot entering over te gaan. Goede vaardigheid met musket, pistool en sabel speelde dus een grote rol. In de praktijk was dit geen succes. De scheepssoldaten waren vaak zeeziek, waardoor ze lang niet altijd aan vechten toekwamen. Ook waren ze niet opgeleid voor het typische zeegevecht. Het schieten aan boord van een slingerend schip was heel wat anders dan een schietpatij op het land.
De naar der vloot gezonden soldaten brachten hun eigen kleding mee. Die eenvoudige plunje was voor een deel wel bruikbaar, maar als regel niet afgestemd voor het verblijf aan boord.


Scheepstimmerman, scheepstimmerbaas
Ook nu bestaat de scheepstimmerman nog steeds, maar de scheepstimmerman van nu is vooral meubelmaker; de man die aan de afwerking van een schip meewerkt. De scheepstimmerman van vroeger was de man die de houten schepen van vroeger vanaf het begin opbouwde, veelal zonder constructietekeningen maar steunend op de verworven kennis. De scheepstimmerman werkte uiteraard met arbeiders, die diverse deeltaken uitvoerden.

Scheerjaar
Lakenvolder.

Schelpenvisser
Vroeger waren schelpen een bekende grondstof voor de kalkfabriacatie. De schelpenvissers trokken mer hun door een paard getrokken tweewieler over het strand langs de vloedlijn om daar de schelpen met een soort schuifnet op te scheppen.

Schepper
De scheppers waren werkzaam bij de papierfabricage. Zij schepten met een papierzeef wat vezelhoudend vocht op en schudden dat zo gelijk mogelijk over de zeef. Zij gaven dan de zeef door aan de koetser, die het natte vel uit de zeef verwijderde en de vellen om en om met een vilt stapelde.

Scherprechter, scherprichter
De scherprechter was belast met het voltrekken van lijfstraffen. Wanneer iemand onthoofd moest worden betaalde men de scherprechter wel om te zorgen dat hij in ťťn slag goed het hoofd afsloeg. Hij verhoorde ook gevangen, waarbij in samenspel met beulsknechten hulpmiddelen werden gebruikt.

Schijvenschuurder
De schijvenschuurder heeft het zwaarste werk bij de diamantbewerking. Hij heeft tot taak de afgewerkte, schijven die door de diamantslijpers worden gebruikt, weer glad te schuren. Bij het slijpen van diamanten komen er groeven in.

Schildpadwerker
1. Bewerker van het rugschild van de schildpad. Men vervaardigde hierven o.a. doosjes, kammen, haarspelden en monturen van brillen.
2. Mogelijk vervaardiger van schildpadblokken. Deze werden o.a. gebruikt aan boord van schepen, hetzij tussen het want gebonden, hetzij staande op de raas gespijkerd.


Schiller
Schelpenvisser, ook schilvisser.

Schipper
Vroeger was men vooral op het vervoer over water aangewezen. Dit gold zowel voor personenvervoer als voor vrachtvervoer. De schipper en zijn knnecht(-en) bestuurden het schip.

Schoenflikker, schoenlapper
Reparateur van schoeisel en laarzen.

Schoenmaker
Vervaardiger van schoeisel.

Schommeljongen
Het joodse volksdeel kocht geen dode vis. De vis voor hen bestemd werd aangevoerd in schuitjes, waarin de vis zwom. Haaks op de roeibank lag een plank, waarop een jongeman wijdbeens stond en de plank op en neer liet wippen, waardoor het water in de boot in een golvende beweging werd gehouden. Hierdoor bleef het zuurstofrijker en de vis levend. De beoefenaren van dit eigenaardige beroep werden hobbelstudenten of schommeljongens genoemd.

Schommelkok
Keukenbediende voor het vaatwassen en ander schoonmaakwerk.

Schommelmeid
Dienstbode voor het ruwe schoonmaakwerk.

Schooldienaar
Iemand die een school bedient, schoolmeester.

Schoolhouder
De schoolhouder geeft gelegenheid tot het ontvangen van onderwijs op een school.

Schoolmatres
Onderwijzeres, ook houdster van een kleinekinderschool, de latere bewaarschool.

Schoonschrijver
Beoefenaar van het schoonschrijven. Schreef in de tijd dat velen de schrijfkunst niet (voldiende) meester waren in opdracht allerlei geschriften: mededelingen, akten, verzoekschriften, overeenkomsten, kortom alles wat men graag op schrift vastgesteld zag. Zie ook schrijfmeester.

Schoonverver
Verver van wollen stoffen.

Schorteldoekverver
Verver van schorteldoek, d.w.z. weefsel bestemd voor de vervaardiging van schorten.

Schotter
Zie schutter nr.1.

Schout
Vroeger ook o.a. scout, scoutet, schouthete, schultete, schulte. Overheidspersoon die in een stad aan het hoofd van het gerecht en de politie stond of op het land de lagere juridictie uitoefende.

Schout bij nacht
1. Politiebeambte die de schout oorspronkelijk 's nachts verving, nachtschout.
2. Bevelhebber tot wiens taak het behoorde te zorgen dat de schepen van een vloot bij nacht in de voorgeschreven orde voeren; bevelhebber van een smaldeel van een vloot. Later rang bij de marine.


Schouwmaker
Schoorsteenmaker. Hij vervaardigde de overdekking of bekleding van stookplaatsen en schoorstenen.

Schouwman (schouwknecht)
Een schouw is een platboomde schuit met een platte voor- en achterkant in verschillende groottes, gebruikt voor vee- en vrachtvervoer, zoals zand, mest hooi of turf. Ze dienden ook voor personenvervoer. Grotere schuiten waren in gebruik om personen of voertuigen over te zetten en diende dus als veerpont. Zij werden voortbewogen door de schouwman en/of zijn schouwknecht.

Schriftlithograaf
Deze was in de vlakdruk werkzaam. Hij bracht op steen ornamenten, lettervormen, liniaturen en cijfers aan, eventueel naar eigen ontwerp. Tot zijn taak behoorde ook het samenstellen van etschemicaliŽn. Een specialisme werd uitgeoefend door de merkantillithograaf, die hele fijne letters en briefhoofden met vaak een tekening van het bedrijf (fabriek) in zeer fijne lijnen vervaardigde.

Schrijfmeester
Toen het handelsverkeer zich in de zestiende eeuw uitbreidde bestond er een toenemende behoefte aan het geschreven woord. In de steden vestigden zich zoen schrijfmeesters aan wie het schrijven van brieven en stukken kon worden opgedragen en die daarnaast schrijflessen gaven. In de verschillende landen van Europa werden andere letters geschreven en de4 schrijfmeesters moesten al deze schriftsoorten beheersen.Zie ook schoonschrijver.

Schrijnwerker (schrijnwerkersknecht)
Vervaardiger van fijn kastenmakers- of meubelmakerswerk. Ook nu komt de term schrijnwerker nog voor, maar deze maakt en monteert binnen- en buitenschrijnwerk. Daaronder worden zaken verstaan als ramen, deuren, poorten, houten wanden, plafonds en vloeren.

Schrobber (schrobbelaar)
1. Deze was werkzaam in de textielindustrie. Hij voerde de eerste spinmachine met gewassen en/of geverfde wol, waarna door een kammende werking van de eerste machine het eerste garen tot stand kwam: het voorgaren.
2. Schoonmaker.
3. Persoon die lijders aan besmettelijke ziekten verpleegde en doden aflegde. Gewoonlijk in de vrouwelijke vorm: schrobster.
4. Iemand die met een scrobnet vist.
5. Jager die het wild in een net drijft.


Schuierhoutmaker (schuiermaker)
De schuierhoutmaker vervaardigde het houtwerk voor bezems en schuiers en ook wel voor borstels. De schuiermaker makkte de diverse schuiers, bezems en borstels.

Schuitenjager
Zie scheepsjager.

Schuitenmaker
Zie scheepsbouwer.

Schuitenschuiver (-weger)
Schuitenschuiven was een middel om schepen voort te bewegen. Op het voor- en achterschip was een constructie aangebracht waarin men een weegboom dwars op het schip kon steken. Zo kon men, naast het schip op de wal lopend, het schip voorwaarts duwen.

Schuitenvoerder
Schipper op een schuit, zoals een dekschuit of een lichter.

Schulper
1. Persoon die gaten boort met een schulpboor oftewel naafboor.
2. Degeen die werkt met een schulpzaag, die groter is dan een gewone spanzaag. Schulpzandmaker
Vervaardigde door malen van schelpen een zandachtige stof die als schuurmiddel werd gebruikt.

Schutmeester
1. Opzichter over een waterkering of sluis.
2. Beheerder van de schietwapenen.
3. De ambtenaar die het toezicht had op bouw- en onderhoudswerken.
4. Belast met het vangen van en het toezicht op gevangen loslopend vee. Dit werd gestald in een schot (schutte, schutplaats), d.w.z. een stal en/of omheind stuk grond (schutskooi).


Schutter (scutte, scuttere)
1. Iemand die loslopend vee vangt (schut), in beslag neemt, dat schade aan derden kan berokkenen en stalt in een schutte (zie ook schutmeester).
2. Iemand die met hand- of voetboog of enig schietgeweer tot de krijgsmacht gewapend is (scutte betekende destijds ook pijl).
3. Iemand die deel uitmaakte van een uit burgers bestaand plaatselijk verdedigingscorps, de schutterij.


Schuyermaker
Zie borstelmaker. Kennelijk niet zo'n lucratieve bezigheid, want men komt dit beroep geregeld tegen in combinatie met een ander beroep als blokkenmaker, houtkoper, koorndrager, schilder of toneelspeler.

Scuteman
Schuitenvoerder, schipper. Meervoud: scutelieden.

Secondant
Hulponderwijzer, leerkracht die de houder van een kostschool bij staat.

Secreetreiniger, secreetruimer
Schoonmaker van het 'heimelijk gemak', het privaat.

Seinevisser
Visser met een zegen.

Seinwachter
Wakers bij seinapparatuur, o.a. langs de kust en bij spoorwegen.

Sendemaker
Smid die gespecialiseerd was in het maken van zeisen.

Sergeant-majoor
Thans onderofficier belast met de administratie en de instructie van een compagnie, vroeger hoofdofficier belast met de administratie en instructie van een regiment.

Setmeyer
Zetboer, pachter zonder huurcontract.

Sigarenmaker
De vervaardiging van de sigaar begint met het strippen van de bladeren. Deze werden voor het strippen bevochtigd omdat droge tabak makkelijk scheurt. Het tabaksblad wordt bij de punt vastgepakt en daarna rond de hand gewonden terwijl men de steel lostrekt. Dit was zeer slecht betaalde arbeid die oorspronkelijk veelal als thuiswerk werd verricht en waaraan het hele gezin deelnam. In een uur stripte men ongeveer een halve kilo en had dan zo'n twee tot drie cent verdiend. Als men bedenkt dat dat alles als regel in eenkamerwoninkjes werd gedaan, dan kan men zich voorstellen dat de levensomstandigheden niet bepaald optimaal waren. Het met de hand maken van sigaren begon met bosjes maken. Dit gebeurde door de wat oudere jeugd. Dat wil zeggen men maakte het binnengoed met de hand. Een bosje bestond uit binnengoed waar een omblad omheen was gerold. Het binnengoed werd met de vingers samengeknepen en met de handen in de vorm gedraaid. Het binnengoed moest iets schuin op omlegger met omblad worden gelegd. De klaargemaakte bosjes werden in een vorm gelegd, die er gewoonlijk twintig kan bevatten. Een aantal van deze vormen werden dan onder een pers samengedrukt. In eerste instantie krijgt de sigaar dan nog een naad op de plaats waar de planken elkaar raakten en daarom werden de bosdjes nog een keer gekeerd en opnieuw geperst. Na het persen volgt het dekblad. Zowel omblad als dekblad worden vochtig verwerkt omdat ze anders zouden breken. Het bevochtigde dekblad wordt op zink op maat gesneden. Het dekblad werd aangebracht met de opliggende nerven aan de binnenkant. Voor het bevochtigen werden de handen soms met speeksel bevochtigd, maar dat werd niet op prijs gesteld. Een goede sigarenmaker kon een weekproductie van 3.000 sigaren halen. Tot 1930 was het sigarenmaken hoofdzakelijk handwerk, maar daarna volgde de mechanisering in hoog tempo.

Solpherpriemmaecker
Zwavelstokmaker.

Sootelare
Zoetelaar, venter, handelaar in levensmiddelen.

Spaldierstickere
Stikker van spaldieren, een soort schouderharnas van leer gevoerd met stof.

Speelman
Musicus op bruiloften en andere feesten.

Spekman
Spekslager

Spinnewyelmaecker
Vervaardiger van spinnewielen.

Stadsroedrager
Te vergelijken met een gemeentebode.

Stads-doorenbreyer
Arbeider in dienst van de stad. Hij was belast met de taak de hagedoorns, die onder aan de stadswal stonden, om stokken of palen te buigen, ze dicht ineen te vlechten en zodoende tot een bijna ondoordringbare heg of omtuining te helpen maken ter verdediging van de stad.

Stoopmakere
Vervaardiger van tinnen stopen, kannen.

Suyckerbacker
Te vergelijken met de banketbakker of confiseur van nu.

T

Tapissier
Vervaardiger van wandtapijten.

Temsmakere
Maker van teemsen, haren zeven voor onder andere melk en meel.

U

Utreder
De werkman die laken utredet. Dat wil zeggen opmaakt, glanst, voor levering geschik maakt.

V

Vanghere
Hij die iemand gevangen neemt. Een gerechtsdienaar die belast is met aanhouden en gevangennemen van bepaalde personen.

Verglaesde wercker
Zie majolicabakker.

Visikere
Arts.

Vloerwerker
Zij besprenkelden de gevormde en beschilderde aardewerken voorwerpen met een dunne laag doorschijnend loodglazuur. Men noemde dit het 'kwaarten'. Deze vloerwerkers zorgden ook voor het kloven van hout en assisteerden bij het stoken van de oven, natuurlijk onder leiding van de meester-bakker, die deels of geheel eigenaar was van de werkplaats of winkel.

Vogelvrouw
Poelierster.

Vroedwijf
Vroedvrouw.

W

Witsterre
Vermoedelijk een scheerder van wit laken.

X

Y

Z

Zoutheffer
De man die zout op de weegschaal legt.

Bron: Ons Erfgoed